Het eerste Deel, van God en 't geen aan hem aanhoorig is

De Spinoza et Nous.
(Différences entre les versions)
Aller à : Navigation, rechercher
(Cap. X – Wat Got en Kwaad is)
 
(Cap. X – Wat Got en Kwaad is)
 
Ligne 362 : Ligne 362 :
 
[fol. 56]
 
[fol. 56]
  
== Cap. X – Wat Got en Kwaad is ==
+
== Cap. X – Wat Goet en Kwaad is ==
 
   
 
   
  

Version actuelle en date du 10 décembre 2013 à 18:18

Sommaire

Cap. I – Dat God is

[1] Belangende dan het eerste namenlijk of'er een God is? Dat zeggen wij te konnen bewezen worden voor eerst (a priori of) van vooren aldus:

1. 1 Alles wat wij klaar en onderscheiden verstaan aan de [1] Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen:

2 Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en onderscheidentlijk verstaan. Ergo.

[2] Anderzints ook aldus:

2. De 3 wezentheeden van de zaaken zijn van aller Ewigheid en zullen <van> in alle ewigheid onveranderlijk blijven:

De wezentlijkheid Gods is wezentheid. ERGO.

[3] (A Posteriori of) van agteren aldus:

4 Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet [2] God formelijk zijn:

5 Maar de mensch heeft een Idea van God. ERGO.

[4] Het eerste bewijzen wij aldus:

Als'er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn <maar de mensch> en in zig vervatten alles wat de Idea voorwerpelijk heeft: Maar daar is een Idea van God: ERGO.

[5] Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wijze volgende grond regulen, te weten:

1. Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn;

2. Dat een eijndig verstand het oneijndige niet kan begrijpen;

3. Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald wordt, niet en kan verstaan; omdat gelijck [fol.2] het geen magt heeft alles gelijkelijk te verstaan, alzo wijnig heeft het ook magt om te konnen Exempli gratiâ, dit eer als dat of dat eer als dit beginnen of aanvangen te verstaan. Het eerste <dat> dan nog ook het tweede niet konnende, zo en kan het niets.

[6] De eerste (of major) wordt aldus bewezen:

Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude <hij> het onmogelijk zijn, dat hij iet zoude konnen begrijpen. Maar hij kan iet begrijpen: Ergo.

[7] Het eerste wort bewezen door de eerste grond regel: namelijk Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn. en volgens de tweede grondregel en kan hij niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is en door geen uijtterlijke dingen bepaald wordende om dit eerder als dat, en Dat eerder als Dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het volgens de derde regel iets zoude konnen verstaan.

[8] [3] Uijt alle het welk dan het twede bewezen word, namelijk Dat de oorzaak van de Idea des mensche niet is sijne verzieringe maar eenige uijtwendige oorzaak, die hem dringt het eene eerder als het andere te verstaan, Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is. Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtstekentlijk, aangezien boven of buijten hem niet wezentlijker of voortreffelijker is.


[9] Dat nu de mensch de Idea van God [fol.3] heeft, zulks is klaar, dewijl hij sijne [4] eijgenschappen verstaat, welke eijgenschappen van hem niet konnen voortgebragt worden, omdat hij onvolmaakt is.

Maar dat hij nu deze eigenschappen verstaat, is hier uijt blijkelijk, dat hij namelijk weet, dat het oneijndige van geen verscheide bepaalde deelen kan tezamengezet worden: datter geen twee oneijndelijke en konnen zijn, maar Een Eenig: dat het volmaakt en onveranderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelfs haar eijgen vernietinge zoekt: en meede, dat het tot of in iet beters [niet] kan [5] veranderen, aangezien het volmaakt is, 't welk het als dan niet en zoude zijn. Of ook dat het zulks niet kan onderworpen zijn door iet dat van <buijten> buijten komt, nadien het almagtig is, enz.

[10] Uijt dit alles dan volgt klarlijk, datmen en (a prioiri) van vooren en (a posteriori) van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori. Want de dingen die men als zodanig bewijst, moet men door haar uijtterlijke oorzake betonen, het welke <is> in haar is een openbaare onvolmaaktheid, als de welke hun zelve door hun zelve niet en konnen te kennen geven, maar alleen door uijtterlijke oorzaaken. Dog God, de eerste oorzaak aller dingen en ook de oorzaak sijns zelfs, die geeft hem zelve te kenne door hem zelve. Weshalven van niet veel belang is het segge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori niet en |f.4 zoude konnen beweezen worden, om dat hij kwansuijs geen oorzaak heeft.

Cap. II – Wat God is


[1] Nadat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wat hij is, namelijk hij is zeggen wij, een [6] wezen van de welke alles ofte oneijndelijke eijgenschappen gezeijd worden, van welke eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is.


[2] Om dan onze meeninge in dezen klaar uijt te drukken zullen wij deze vier navolgende dingen vooraf zeggen.


1. [7] Datter geene bepaalde selfstandigheid en is, maar dat alle selfstandigheid in sijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid volmaakter kan sijn als die alreeds inde Natuur is.


2. Dat"er ook geen twe gelijke selfstandigheeden zijn.


3. Dat d'eene selfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen.


4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid is als die formelijk inde Natuur is.


[3] Wat dan aangaat het 1. namelijk dat'er geen bepaalde selfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel |f.5 des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wij aldus, te weete:

Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet onbepaalder heeft willen maaken: dan of zij sodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven:


[4] Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen; en dat zo een zelfstandigheid die door zig zelfs geweest is, ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is.


[5] Voorder indien zij dan door haar oorzaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat <zy> die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven; Dat hij niet meer zoude hebben konnen, zoude strijden tegen sijn almagtigheijd, [8] dat hij niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins en is.


[6] Het tweede belangende, Datter geen twe gelijke selfstandigheden zijn, bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslagte volmaakt is, want zo'er twee gelijke [fol. 6] waren, zo most noodzaakelijk de een de andere bepaalen en dienvolgende niet oneijndelijk zijn, gelijk [wij] al voor dezen bewezen hebben.


[7] Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid d'ander niet en kan voortbrengen: zo weederom iemant het tegendeel mogt staande houden, da<t>[n] vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eijgenschappen van het voortgebragte heeft of niet en heeft?


[8] Niet het laatste is, want van de Niet kan geen Iet voortkomen: Ergo dan het eerste. En dan vraagen wij voorder of in die eijgenschap die oorzaak zoude zijn van dit voortgebragte, even zo veel volmaaktheijd is, of datter minder of datter meerder in is<?> als in dit voort gebrachte? Minder kander niet in zijn om reeden vooren, meerder ook niet zeggen wij, omdat als dan deze tweede bepaald zoude zijn, hetwelk strijd tegen 't geen nu al van ons bewezen is. Ergo dan even zo veel, ergo dan gelijk en twee gelijke zelfstandigheeden klaarlijk |f.7 strijdende met ons voorige bewijs.


[9] Verder, 't geene geschapen is en is geenzins voortgekoomen vande Niet, maar moet noodzaakelijk van hem die wezentlijk is, geschapen zijn. Maar dat van hem iets zoude voortgekomen zijn, 't welke iets hij niet als dan en zoude minder hebben nadat het van hem is voortgekomen, dat en konnen wij met ons verstand niet begrijpen.


[10] Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid.


[11] Ten vierden, dat er geen selfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1. Uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem [fol. 8] geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene <mee> eerder of meerder als 't ander te scheppen. 2. uijt de eenvoudigheijd van zijne wille. 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hier na zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het soude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. En dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn. Het welke ongerijmt is.


[12] Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen, van de welke een ieder des zelfs in sijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men aan God geeft.


[13] Tegen 't geene [dat] wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is, als 't geen formelijk inde Natuur is, willen eenige op deze wijzen |f.9 argumenteren: Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hij niet meer scheppen. Maar dat hij niet meer zoude konnen scheppen streijd tegen sijn almogentheijd. Ergo.


[14] Het eerste belangende, wij staan toe dat God niet meer kan scheppen. En wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij be<k>kennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen sijn almogentheid, maar geenzins indien hij niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is, gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft en evenwel nog meer zoude konnen scheppen. En zeker het is een veel grooter volmaaktheid in God, dat hij alles wat in sijn oneijndelijk verstand was, geschapen heeft als dat hij het niet en zoude geschapen hebben, noch nooijt zo zij spreeken, zouden hebben konnen scheppen.


[15] En waarom dog hier van zo veel gezeijd? [9] En argumenteren zij zelve niet aldus off en moeten zij niet aldus argumenteren: Indien God alwetende is, zo |f.10 en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen sijne volmaaktheid: Ergo.


Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door sijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten, wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde heeft voortgebragt, en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn.


[16] Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat'er geen oorzaak is, waarom dat hij dit eerder en meerder als dat zoude geschapen hebben, en alles konde in een ogenblik voortgebracht hebben, zo laat ons dan een[s] zien of wij niet tegen haar even de zelve wapenen konnen gebruijken, die zij tegen ons aanneemen. Aldus namelijk: Indien God nooijt zo veel kan scheppen of hij zoude nog konnen meerder scheppen, zo kan hij nooijt scheppen 't geen hij kan scheppen, maar dat hij niet kan scheppen 't geen hij kan scheppen, is strijdig in zig zelve. Ergo.


[17] [fol. 11] De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze:


1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door het welke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden, en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zoo veel eijgenschappen moetmen het <oog> ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijk zijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen.


2. om de eenigheid die wij alom in de natuur [fol.12] zien. Inde welke [10] zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen.


Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn. [11] En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort.


Dat de uytgebreydheid een eygenschap van God is,word bewezen
[18] Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn, dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen [fol. 13] bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben.


[19] Waarop wij antwoorden:


1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen wezens van reeden en dien volgende en zijn [12] in de Natuur nog geheel nog deelen.


Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel soo als 't samengezet is daar toe van nooden is. Desgelijks meede in het water het welke van regte lankwerpige bestaat, kan ijder deel deszelfs bevat en verstaan worden en bestaan zonder 't geheel; Maar de [fol. 14] uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien se nog kleijnder nog grooter kan worden en geen deelen des selfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn. En dat ze nu zodanig moet zijn, volgt hier uijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is, maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd: Dog dat in een oneijndelijke natuur deelen zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijndelijk.


[20] Doet hier nog bij: indien zij van verscheijde deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden: een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke door zijn eijgen natuur oneijndig is en nooijt bepaald off eijndig kan zijn off verstaan worden.


[21] Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de [fol.15] wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve, welke wijsen nu van 't water, dan van wat anders altijd het zelve is.


[22] De deeling dan of lijdinge geschied altijd in de wijse: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan vande mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel en wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt <zelve> zelve.


[23] Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is. En dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van dat geene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt, het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft.


[24] Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd?


[25] Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een Doender als een Leijder genoemt worden. En met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord. [fol. 16]


[26] Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan. En aangezien het klaarlijk blijkt, datter inde Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, <van een> nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen.


[27] Dog ligt is het voor ons hier op te antwoorden; want wij staan toe, dat indien het lighaam een zaake was door zig zelfs bestaande en anders geen eijgenschap en hadde als lang, breet, en diep, dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn indien het <waarlijk ruste> waarlijk ruste, om zig zelfs te beginnen te bewegen: Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is.


[28] Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wij van sijn eijgenschappen maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn maar bestaan in twee namelijk Denking en Uijtgebreijdheid: want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die [men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke <hij hem> wij hem in zig zelf en niet als werkende buijten zig zelfs komen te kennen. [fol. 17]


[29] Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming, gelijker wijs als dat hij is door zig zelfs bestaande, Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz. ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een Oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is.


[30] Edog hoe en op wat wijze [13] deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen. Maar tot een beter verstand dezes en naader opening hebben wij goet gedagt, deze volgende reedenen hier bij te voegen: bestaande in een



Zamenspreeking
tusschen het Verstand, de Liefde, de Reede, en de Begeerlijkheid

.


[1] Liefde — Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid en nadien de volmaaktheid van het voorwerp 't welk [fol. 18] gij begrepen hebt uwe volmaaktheid is, en uijt de uwe weeder de mijne hervoortkomt, zo zegt mij eens, ik bid u, of gij zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets anders bepaald worden en in het welk ik ook begrepen ben?


[2] Verstand — Ik voor mij en aanschouw de Natuur niet anders als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt en gij zo [gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen.


[3] Reeden — De waarheid hier van is mij ontwijffelijk: want zo wij de Natuur willen bepaalen, zo zullen wij hem, 't welk ongerijmt is, met een Niet moeten bepaalen [welke ongerijmtheid wij ontgaan stellende dat hij is] [Een, Eeuwig, door zig zelfs oneindelijk,] [en dat onder deze volgende eijgenschappen,] namelijk dat hij is Een, Eeuwige Eenheid, oneindig, almagtig, enz. De Natuur namentlijk oneijndig en alles in dezelve begreepen: en de ontkenninge dezes noemen wij de Niet.


[4] Begeerlijkheid — En dog dit rijmt zig alwonderlijk, dat de Eenheid met de Verscheidentheid die ik alomme in de Natuur zie, te zamen overeen komt. Want hoe? Ik zie dat de Verstandige Zelfstandigheid [fol. 19] geen gemeenschap heeft met de Uijtgebreide Selfstandigheid en dat d'een de andere bepaald.


[5] En indien gij buijten deze twee Zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij u zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren: het welk immers in een geheel buijten 't welk geen ding is, geen plaats kan hebben.


[6] Daar en boven zo dit wezen almagtig is ende volmaakt, zo zal het zodanig dan zijn, om dat het zig zelfs en niet omdat het een ander heeft veroorzaakt; en nogtans zoude hij almagtiger zijn, die dewelke en zig zelve en daar en boven nog een ander konde voortbrengen.


[7] En eijndelijk indien gij 't alwetende noemd, zo is 't noodzaakelijk dat het zig zelfs kenne en met een moet gij verstaan, dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis van zig zelfs [fol. 20] te zamen met de kennisse van de andere zelfstandigheeden. All het welk openbaare tegenstrijdigheden zijn. En daarom wil ik de Lievde geraaden hebben, dat zij zig gerust houde met het gene ik haar aanwijze en na geen andere dingen om te zien.


[8] Lievde — Wat dogh, O Eerlooze, hebt gij mij aangeweze anders als datgene uijt het welke terstond mijn verderf gevloeijd is? Want zo ik mij ooit met datgene 't welk gij mij hebt aangewezen hadde vereenigd, aanstonds was ik vervolgd geweest van twee hooft vijanden des menschelijken <geslagts>geslaghts de Haat namentlijk en het Berouw en van Vergeetenheid ook meenigmaal; en alzo keer ik mij andermaal tot de Reeden en dat hij maar voortgaa en aan deze vijanden den mond stoppe.


[9] Reeden — Dat gij dan, O Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden te zien, dat is zeg ik u, valsch: Want klaarlijk zie ik dat'er maar een Eenige is, de welke door zig zelve bestaat van alle de andere eigenschappen een onderhouwder is. En bijaldien gij [fol. 21] dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen Zelfstandigheeden in opzigt van de Wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de Zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelvs bestaande en worden zij van u niet begrepen: En op dezelve manier, als het willen, gevoelen, verstaan, beminnen, enz. verscheijde wijzen zijn van 't geen gij een denkende Zelfstandigheid noemd, die gij alles tot een brengt en van alle deze een maakt; alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat En de Oneijndige Uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen (of volgens uw stijl andere Zelfstandigheeden) niet anders zijn als wijzen van dat Eenige, Eeuwige, Oneindige, door zig zelvs bestaande Weezen; en van alle deze stellen wij als gezeid, Een Eenige ofte Eenheid, buijten welke men geen zaake verbeelden kan.


[10] Begeerlijkheid — In deze uwe manier van spreken zie ik, zo mij dunkt, een zeer groote verwerringe; want [fol. 22] gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zijn buijten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is.


[11] Daar en boven zo ik uijt u Exempel afneem, zo vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, Het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende <zaak> kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Lievde, enz. afhangd. En gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de Uijtwerkselen van U nu al ge<kend>noemd.


[12] Reede — Ik zie vast hoe gij tegen mij alle uwe vrunden te zamen roept en alzo 't gene gij niet vermogt hebt met uwe valsche reedenen uijt te werken, dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden gelijk gemeenlijk het werk is der genen, die zig teegen de waarheid kanten. Dogh 't en zal u om door dat middel de Lievde [fol. 23] tot U te krijgen, niet gelukken. Uw zeggen dan is, dat de oorzaak (aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwerkzelen) derhalven buijten dezelve moet zijn. En dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de Oovergaande en niet van de Inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve voortbrengd.

Bijvoorbeeld. Het Verstand, het welk oorzaak is van sijn begrippen, en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak: En wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge.



Tweede Zamenspreekinge


Dienende eensdeels tot dat voorgaande,
ander deels tot het twede Navolgende Deel,
tusschen ERASMUM en THEOPHILUM.


[1] Erasmus — Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarbij dat hij geen [fol. 24] andere oorzaak kan zijn, als een inblijvende. Indien hij dan een Inblijvende oorzaak is van alle dingen. Hoe dan kond gij hem een Verder oorzaak noemen? Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk.


[2] Theophilus — Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een Verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, de welke God, zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid, onmiddelijk heeft voort gebragt, maar geenzins dat ik hem absoluijt een Verder oorzaak hebben genoemt: Hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen. Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen.


[3] Erasmus — 'T geen gij mij wilt zeggen, verstaa ik nu genoegzaam; Maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. En indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn. [fol. 25] Want zo hij en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd. Neemt mij, ik bidde u, deze twijffel weg.


[4] Theophilus — Zo gij, Erasme, uijt deze verwarring wild geraaken, zo neemt eens wel in acht het geen ik u hier zal zeggen. Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt; maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk.


[5] Ik zal u, op dat gij mij te beter zouwd verstaan, een voorbeeld stellen. Een beeldhouwer die heeft van houwt gemaakt verscheijde gedaante, na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken lighaams; hij neemt een van deze, 't welk de gedaante heeft van een menschelijke borst, hij voegd het te zamen met een ander, dat de gedaante heeft van een menschelijk hooft en maakt van deze twee een geheel hetwelk het bovenste gedeelte van een menschelijk lighaam vertoond; zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog. Want het is het zelfde dat het te vooren was.


[6] Tot meerder klaarheid zal ik u een ander [fol. 26] voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld, het welk ik hebbe van een driehoek en een ander ontstaande door uijtstrekking van een van de hoeken, welke uijtgestrekte of uijtstrekkende hoek noodzaakelijk gelijk is met de twee teegen gestelde innerlijke, en zo voort. Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken <gelijk> van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met <de> het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden.


[7] En van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met <de> het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar in teegen deel zonder de minste verandering blijft. En hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen.


[8] Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt? Daar gij zelve in het voorgebeelde waaraf wij nu spreeken, dit klaarlijk kond zien. Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en [fol. 27] om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen.


[9] Doet hier bij dat het Geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van 't algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare; en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt.


[10] Erasmus — Zoveel dit belangd hebt gij mij voldaan. Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; het welk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van de gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, [fol. 28] heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van de gevrogte welker wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem. En hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan.


[11] Dogh dit en voldoet mij niet. Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd. Nu dan het is onmogelijk, dat 'er meer van nooden is geweest om een zodanig verstand voort te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te Zijn een Wezen van zo een uijtsteekende volmaaktheid, zo moet het alzo wel als alle andere dingen die onmiddelijk van God afhangen, van eewigheid geschapen zijn. En zo ik mij niet bedrieg, ik heb het u hooren zeggen. En dit dan zo zijnde hoe zult gij dit zonder zwarigheid over te laaten, rondschieten?


[12] [fol. 29] Theophilus — 'T is waar, ERASME, dat de dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn. Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere Wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de Zaak zouden voortbrengen en andere omdat de Zaak zoude konnen voortgebragt zijn. Als bij voorbeeld: ik wil in zeeker kamer ligt hebben; Ik steek het op en dit verligt door zig zelfs de kamer, oft' ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt maakt, maar nogtans te weege brengd, dat het ligt in de kamer kan komen. En alzo word ook tot de beweeging van een lighaam een ander lichaam vereijscht, 't welk al die beweeging moet hebben die van hem over gaat tot het ander. Maar om in ons een denkbeeld van [fol. 30] God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig lighaam in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen. 'T geen gij ook uijt mijne woorden hebt konnen afneemen. Want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs en niet door wat anders gekend.


[13] Dog dit zeg ik u, dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen. En 't geene gij nog zout mogen hebben te vraagen, laat dat op een ander tijd zijn; tegen woordig noodigd mij de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel.


[14] Erasmus — Voor't tegenwoordig niet, maar ik zal mij nu met 'et geen gij mij nu gezeid hebt bezighouwden tot naader gelegentheid en u God beveelen.

Cap. III – Dat God is een oorzaak van alles


[1] Wij zullen dan als nu aanvangen te handelen van die eijgenschappen, welke wij [14] Eigene genoemd hebben. En vooreerst hoedanig God Een oorzaak is van alles. Hier te vooren dan hebben wij nu al gezeid, hoe dat de Eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen en dat God een wezen is, van welke alle eijgen [fol. 31] schappen geseid worden; alwaar uijt klaarlijk volgd, dat alle andere dingen geenzins en konnen nog bestaan nog verstaan worden zonder nog buijten hem. Weshalven wij dan met alle reeden mogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles.


[2] Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is?


1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde.


2. Ten anderen is Hij Een inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is.


3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, alwaar dan meteen verklaard zal worden waar in de waare vrijheid bestaat.


4. God is een oorzaak door zig zelfs en niet door een toeval, hetwelk uijt de verhandeling van de Praedestinatie nader zal blijken.


5. Ten vijfden. God is een Voornaame oorzaak van sijne werken die hij onmiddelijk geschaapen heeft als daar is de roeringe in de stof enz. in welke de min voorneeme oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen, als wanneer hij door een harde wind de zee droogh maakt; en zoo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn. De Minvoorneem-beginnende oorzaak en is in God niet omdat buijten hem niet is dat hem zoude konnen prangen. Dog de voorgaande oorzaak is sijn volmaaktheid zelve; door dezelve is hij en van zig zelfs een oorzaak en bij gevolgh van alle andere dingen.


6. Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oorzaak gelijk blijkt bij onze voorgaande betooging.


7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, [fol. 32] dog alleen in opzigt dat hij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, [fol. 33] om uijtwerkselen voort te brengen.


8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk en de welke wij van hem zeggen onmiddellijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hij en eenigzins van alle de bezondere dingen.

Cap. IV – Van Gods noodzaakelyke Werken


[1] Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij en zullen het meede bewijzen handelende van de Predestinatie, alwaar wij betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen.


[2] Dog ten andere dit word meede bewezen door de volmaaktheid Gods: Want het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt<elijk> kan uijtwerken als het in sijne Idea is begreepen; en gelijkerwijs de dingen die van hem verstaan worden, van hem niet volmaakter konnen verstaan werden als hij die verstaat, alsoo konnen van hem alle dingen so volmaaktelijk worden uijtgewerkt, datze van hem niet volmaakter en konnen voort komen. Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij <doet> gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvol[fol. 34]maaktheid zoude zijn; zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem-beginnende oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar hij geen God.


[3] Dog nu valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is en hij zo volmaaktelijk kan doen, of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? En of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is? Wij zeggen dan, <datt> dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij veranderlijk, dat dan in hem een groote onvolmaaktheid zoude zijn. En dat deze voorbepaaldheid <van> bij hem van Eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God <de dingen voo> te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen als die nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge heeft konnen zijn.


[4] Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen. Zo neen, zo is 't noodzakelijk dat hij het niet moet na laten. Dits in zig zelfs klaar. Alvoorder: in de geschape zaake is het een volmaaktheid datze is en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvolmaaktheid is de grootste onvolmaaktheid het niet zijn. En dewijle het heijl en [fol. 35] de volmaaktheid van alles is de wille Gods en als God dan zoude willen dat deze zaake niet en waar, zo zoude immers het heil en de volmaaktheid van de zelfde zaak bestaan in het niet zijn, het welke in zig zelfs tegen strijdig is. Alzoo dat wij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet:


[5] Het welk zommige voor laster en verkleininge Gods achten. Dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin de Ware Vrijheid bestaat; dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten: Maar de Ware Vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: En dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek.


Dat dan God <de> alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken; al het welk inde geschapen dingen geen plaats heeft.


[6] Hier teegen werd op deze wijze geargumenteert: Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijnde, zo kan hij immers wel maaken dat het kwaad goet werdt. Dog zodanig argumenteeren sluijt also wel, als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ergo 't is in sijn magt geen God te wezen, 't welk de ongerijmtheid zelve is. Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt. Vraagt men dan waarom de Rechtvaardigheid <het also vereischt> of liever de eerste oorzaak van dat alles dat regtvaardig is, zo moet de antwoord zijn, om dat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eijlieve. Zoude de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te zijn? Geenzins, want alsdan en kond'se geen Regtvaardigheid wezen. Maar die geene de welke zeggen, dat God alles 't geen hij doet daarom doet, omdat het in zig zelfs goet is, deze zeg ik, zullen mogelijk denken, dat ze met ons niet verschillen. Doch 't verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn, namelijk een oorzaak [fol. 37] die een begeerte heeft van dat dit goet en dat wederom rechtvaardig is en zoude zijn.


[7] Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn? Waarop tot antwoord dient, dat bij aldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest, zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan <beide> God beide en een andere wille en een ander verstand als doen gehad heeft, volgens de welke hij het anders gemaakt zoude hebbe; en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep. Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal, kan toegepast worden.


[8] Dit word van ons verder bewezen uijt de beschrijvinge |f.38 die wij van de vrije oorzaak gemaakt hebben: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt. Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is. 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen. Dewijl wij zeggen dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede getoond hebben, dat dat geene het welke hem iets doet doen, niet anders kan zijn als sijne eige volmaaktheid zelve, zo besluijten wij, dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en souden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn. Het welke even veel is als of men zeide: Indien God onvolmaakt was, zo zouden de dingen <die nu zijn> nu anders zijn als die nu zijn.


[9] Dus veel van de eerste; nu zullen wij overgaan tot de tweede eigenschap, die wij in God eigen noemen, en zien wat ons daaraf te zeggen valt en zo voort ten eijnde.

Cap. V – Van Gods Voorzienigheid


[1] [fol. 39] De twede eigenschap die wij (Proprium of) eigen noemen is de Voorzienigheid, welke bij ons niet anders is als die poginge die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen. Want het is openbaar, dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot sijn selfs vernietinge; maar in tegendeel dat ieder dink in [zig] zelfs een poginge [heeft] om zig zelfs en in sijn stand te bewaaren en tot beter te brengen.

[2] Zo dat wij dan volgens deze onze beschrijvinge stellen een Algemeene en een bezondere voorzienigheid. De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van sijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de Leeden vande mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is: en de bezondere is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft.

[fol. 40]

Cap. VI – Van Gods Praedestinatie


[1] De derde eigenschap is zeggen wij, de goddelijke praedestinatie.


1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk, dat hij alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, <omdat> dat het niet volmaakter kan zijn.


2. En daar bij, dat geen dink zonder hem en kan bestaan nog ook verstaan worden.


[2] Staat nu aan te merken offer dan inde Natuur eenige gebeurlijke dingen zijn. Namentlijk offer eenige dingen zijn, die konnen gebeuren en ook niet gebeuren. Ten anderen, of er eenige Saake is, van de welke wij niet konnen vragen waarom ze is?


Maar dat er geen gebeurlijke dingen zijn, bewijzen wij dusdanig. Iets dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij: Iets dat gebeurlijk is heeft geen oorzaak ergo.


Het eerste is buijten alle dispuijt: het tweede bewijzen wij aldus. Indien iets dat gebeurlijk is een bepaalde en zeekere oorzaak heeft om te zijn, so moet het dan noodzakelijk zijn; maar dat het ende gebeurlijke ende noodzaakelijke tegelijk zoude zijn is strijdig. Ergo.


[3] Misschien zal iemand zeggen, dat iets gebeurlijk wel geen |f.41 bepaalde en zekere oorzaak heeft, maar een gebeurlijke. Als dit dan zodanig zoude zijn, zo moet het zijn of in sensu diviso, of in sensu composito te weten, of dat de wezentlijkheid van die oorzaak<en> niet, als oorzaak zijnde, gebeurlijk is; of wel dat het gebeurlijk is dat dat iets ('t welk wel noodzakelijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gebeurlijke iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zij valsch.


Want wat het eerste aangaat. Indien dat gebeurlijke iets daarom gebeurlijk is om dat zijn oorzaak gebeurlijk is, zo moet dan ook die oorzaak gebeurlijk zijn, omdat die oorzaak die haar veroorzaakt heeft, ook gebeurlijk is, et sic in infinitum. En dewijl nu al te vooren bewezen is, dat van een eenige oorzaak alles afhangt, zo zoude dan die oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn: 't welk openbaar valsch is.


Aangaande het twede dan: bij aldien die oorzaak niet meer bepaald en was om het eene of om het ander voort te brengen, dat is om deze iets voort te brengen of na te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude [fol.42] voortbrengen, en dat hij het soude laten voort te brengen, 't welk regt streidig is.


[4] Wat dan ons voorige tweede belangt van datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, we[l]k ons seggen te kennen geeft, dat bij ons te onderzoeken staat door welke oorzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het iets zoude zijn. Deze oorzaak dan moeten wij of in de zaak of buijten de zaak zoeken. Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er al heel geen schijnt van nooden te zijn. Want indien de wezent<heid>lijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken: Doch indien het zoodanig niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk alleen de eerste oorzaak van alles is.


[5] En hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil <van de mensch> en behoort niet aan sijn Wezen) [fol. 43] ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben: Het welk ook soodaanig blijkt te zijn uijt alle het geene wij in dit Cap. gezeit hebben en ook nog meer zal blijken, zo wanneer wij in het twede deel van de Vrijheid des menschen zullen handelen en spreeken.


[6] Tegen dit alle word van andere tegengeworpen: Hoe is't mogelijk dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt en de eenigste oorzaak, beschikker en voorzorger van alles te zijn, toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een verwarringe word gezien inde Natuur: En ook, waarom hij den mensch niet heeft geschapen dat hij niet en konde zondigen?


[7] Vooreerst dan, datter verwarringe inde Natuur is, kan met regt niet gezeid worden, aangezien dat niemand alle de oorzaken van de dingen bekend zijn om daar van te konnen oordeelen. Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij al<geen>gemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen.


Deze Ideen dan stellen zij te zijn in h<e>et [fol. 44] verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namentlijk deze algemeene Ideen (als Redelijk, Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die <bijhaar> bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorsorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt. e.g. noijt heeft God sijne voorsorge gehad over Bucephalum enz. maar wel over het geheele geslagte van Paard. Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de algemeene die na haar meeninge onvergankelijk zijn. Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst die bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn.


God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen: zo dan de bezondere dingen zullen moeten overeenkomen met een andere Natuur, soo en zullen zij dan niet met haar eigen overeen konnen komen [fol. 45] en volgens dien niet zijn die zij waarlijk zijn. e.g. bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen, zo hadde hij dan ook alleen Adam, en geen Petrus nog Paulus geschapen; ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God, dat hij alle dingen van de minste tot de meeste haar wezentheid geeft, of om beter te zeggen, dat hij alles volmaakt in hem zelfs heeft.


[8] Wat het andere aangaat van waarom dat God de menschen niet en heeft geschapen dat ze niet en zondigen, daarop dient, dat alles watter van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij twee dingen met den anderen off onder verscheide opzigten vergelijken. E.g. Indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft en dat dat werkstuk met het oogmerk van den maker wel overeenkomt, zo zegt men het goet te wezen en zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan, te maaken.


[9] [fol. 46] Wij besluijten dan te zeggen, dat Petrus met de Idea van Petrus gelijk 't noodzakelijk is, moet overeenkomen en niet met de Idea van Mensch. Goet en kwaat, of zonden en zijn dat niet anders als wijzen van denken en geenzins eenige zaaken off iets dat wezentlijkheid heeft, gelijk wij dat wel ligt in het navolgende nog breeder zullen betoonen.


Want alle dingen en werken die inde Natuur zijn, die zijn volmaakt.

Cap. VII – Van de Niet tot God behoorende Eigenschappen


[1] Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die [15] eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren: [fol. 47] als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: En meede van de wetten der warer beschrijvinge.


[2] Om dit te doen, zullen wij ons niet zeer bekommeren met die verbeeldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben: Maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschreven te zijn Een wezen uijt of van zichzelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig, 't opperste goet, van oneindige barmhertigheid, enz. Dog aleer wij tot dit onderzoek toetreden, laat eens vooraf gezien worden, wat zij ons al toe staan.


[3] Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan, en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven.


[4] Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigender [fol. 48] maar alleen ontkennender wijse weten. ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden.


[5] Daarenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of door sijne uijtwerkinge. Dewijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken.


[6] Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributa of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig <zef> zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheeden behooren.


[7] [fol. 49] Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan [16] hem niet en behooren. Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem selfs bestaande, niet en konnen toegepast worden.


[8] Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed, doch indien zij daar bij iets anders als zij alreeds gezeid hebben verstaan, te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen, zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook [fol. 50] een oorzaak is van sijn zelfs. Doch dit zal zo wanneer wij van de wille <...komen> des menschen hier na handelen, nog klaarder blijken.


[9] Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen, ontknoopen.


I. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid. Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. En zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten alvooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven hem heeft. Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan <worden> [noch] gekend worden.

[fol. 51] Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare Stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken.


[10] Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen (of zo andere die noemen selfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven <zich zelven> door zich zelve zig zelfs te kennen geeft en vertoond.


De andere dingen zien wij dat maar wijzen van die eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten).


1. Namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor ze meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, [fol. 52] zo worden zij ook door hun zelfs bekent.


<2.> De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. En dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge.


[11] <II.> Wat het ander aangaat van dat God van ons gekend zoude konnen worden met een evenmatige kennisse, hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge op de tegenwerpingen deze saake aangaande pag. 18.


[12] <III.> En op het derde van dat God niet en zoude konnen apriori bewezen werden, daarop is mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen. En is zulk bewijs ook veel bondiger als dat a posteriori, 't welk gemeenlijk niet als door uijtwendige oorzaaken geschied.

[fol. 53]

Cap. VIII – Van de natuurende Natuur


Alhier zullen wij nu eens eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk geheel de Natuur schiften. Te weten in Natura Naturans en Natura naturata. Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het selve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden.


De Natura naturata zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere. De algemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen, waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soo dat de Natura naturata [fol. 54] om wel begrepen te worden, eenige selfstandigheden van noden heeft.

Cap. IX – Van de genatuurde Natuur


[1] Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata of die wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de [17] beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak. Deze dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk soo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde.


[2] Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur <behoord> weet als wel hier behoord, gelijk als daar is dat ze <in> van alle Eeuwigheid is geweest en in eeuwigheid onveranderlijk zal blijven, dat z'oneijndig is in haar geslacht, dat ze nog door zig zelfs bestaan noch verstaan kan worden, maar alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, [fol. 55] of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen.


[3] Het angaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is meede een Zone, maaksel, of onmiddelijk schepzel van God, ook van alle eeuwigheid van hem geschapen en in alle eeuwigheid blijvende onveranderlijk: deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan, uijt het welke spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen 't geen het doet, het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde 't geen wij hier nu geseijd hebben, zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge Van de Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen.


[fol. 56]

Cap. X – Wat Goet en Kwaad is


[1] Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet en kwaad is, zullen wij aldus aanvangen.


Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis.


[2] Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de ENTIA Rationis of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of [o]ok dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is.


Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was.


[3] Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel over een komt met de algemene Idea die wij van sodanige [fol. 57] dingen hebben. En daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn.


[4] Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen.


Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen. Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen. ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur.


Want indien goet <of> en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben. Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven. Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn.

Notes de l'auteur

  1. Verstaat de bepaalde natuur door de welke de zake is dat ze is en dat van haar in generlij wijze kan afgescheide worden zonder ook met een die zaak te vernietigen: als dat tot het wezen van een Berg behoort dat hij een dal hebbe of 't wezen van de Berg is dat hij een daal hebbe, hetwelk waarlijk eeuwig en onveranderlijk is en altijd moet zijn in 't concept van een Berg, schoon hij nooit was of is.
  2. Uijt de beschrijvinge hierna van dat God oneijndige eijgenschappen heeft konnen wij sijne wezentheijd aldus bewijzen: al dat wij klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen: maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap dewelke is Zijn. Ergo. Hierop nu te zeggen dat dit wel bevestigt [word] van de Idea, maar niet van de zaak zelfs is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word: also dat tusschen de Idea en het Ideatum een groot onderscheid is en daar om dat het geene dat men bevestigt van de zaak, dat en bevestigt men niet van de Idea et vice versa.
  3. Vorders te zeggen dat deze Idea een verzieringe is, dat is ook vals: want het is onmogelijk die te hebben zoo z'er niet en is: en dit word hier nu getoont pag.2. daar wij dit nog bij doen. Het is wel waar, dat wij van een Idea die ons eenmaal eerst van de zaake zelfs is hergekomen, en so in abstracto algemeen van ons gemaakt sijnde, dat daarna van die zelve in ons verstand veel besondere worden versiert, die wij dan ook veel andere en van andere saaken afgetrokkene eijgenschappen konnen toedigten. Maar dit is onmogelijk te konnen doen zonder alvorens de zaake zelfs van de welke zij aftreksels zijn, gekend te hebben. Doch eens gesteld dat deze Idea een versierzel is, zoo moeten dan alle * ander Ideas die wij hebben, niet min versiersels zijn.
    Dit zo zijnde, van waar dan komt ons in dezelve so groot een onderscheid? Want Wij zien eenige die het onmogelijk is dat ze zijn: e.g. alle monsterdieren die men van twee naturen zoud t'zamen zetten als een dier dat een Vogel en een paard zoude zijn en diergelijke, die onmogelijk in de Natuur, die wij bevinden anders te sijn gesteld, plaats konnen hebben.
    * Andere Ideas : wel mogelijk maar niet noodzakelijk datze zijn: van de welke nochtans of ze sijn of niet zijn, haar wezen altijd noodzaakelijk is: als de Idea van een driehoek en die van de liefde in de ziel sonder 't lichaam enz. Alsoo dat alschoon ik eerst dacht, dat ik die verzierd hadde, daarna nochtans gedwongen worde te zeggen dat sij niet te min hetzelve zijn en zouden zijn, schoon ik of geen mensch ooijt om haar gedagt hadde. En hierom dan en zijn zij van mij niet verzierd en moeten ook buijten mij een subjectum hebben het welk ik niet en ben, zonder welk subjectum sij niet en konnen zijn. Boven deze isser noch een derde idea en die is maar een eenige en dese brengt met zig een noodsakelijk zijn en niet als de voorgaande alleen datze kan zijn: want die haar wesen was wel noodzakelijk, maar niet haar wezent[lijk]heid: maar van dese is de wesent[lijk]heid ende het wesen beijde noodzakelijk en is zonder deselve niet. Also zie ik dan nu, dat van mij geen waarheid, wesen, of wesentheid van eenige zake afhangt: want als in de tweede soorte van Ideen getoont is, zonder mij zijn zij't geene datze zijn: of na't wesen alleen, of na't wesen en de wesentlijkheid beijde. En zo ook dan, ja veel meer bevinde ik dit waar te zijn in deze derde eenige Idea en dat niet alleen dat het van mij niet af en hangt, maar in tegendeel dat hij alleen moet zijn het subjectum van't geen ik van hem bevestig. Alsoo dat indien hij niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestigen gelijk nogtans van de andere dingen schoon zij niet wesentlijk zijn, gedaan word: ja ook dat hij moet zijn het subjectum van alle andere dingen.
    Behalven dan dat uijt het tot noch toe geseide klaar blijkt dat de Idea van oneijndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is, so zullen wij dit volgende noch daar bij doen:
    Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wij in deselve tot nog toe niet meer konnen vinden als alleen twee eijgenschappen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. En deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wij onszelve konnen voldoen: Want dat deze het al soude zijn, van de welke dit volmaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wij in ons zulks iets het welk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneijndige volmaakte eigentschappen, die dit volmaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden. En van waar is deze Idea van volmaaktheid? Dit zulks iets dan en kan niet voortkomen van deze twee: Want twee en geeft maar twee en geen oneijndige, ergo dan van Waar? Van mij altijd niet, of ik most ook dat ik niet hadde konnen geven. Vanwaar dan anders als van de oneijndige eigenschappen zelve, die ons zeggen dat z'er zijn zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zij zijn. Want van twee en weten wij maar wat zij zijn.
  4. Syne eigenschappen : beter is't, dewijl hy 't geen aan God eigen is verstaat; want die dingen sijn geen eigenschappen Gods. God is wel zonder deze geen God, maar niet door deze, dewijl ze niet zelfstandigs te kennen geven, maar sijn alleen als adjectiva die substantiva vereischen om verklaart te worden.
  5. De oorzaak van deze veranderinge zoude moeten zijn van buyten of in haar: Niet van buyten, want geen zelfstandigheid die als deze door zig zelf is, hangt van iets buyten hem af: ergo geen verandering daarvan onderwurpen. Ook niet in haar, want geen zaak veel min deze wil zijn zelfs verderf. Alle verderf is van buyten aankomende.
  6. De reden is omdat de Niet geen eigenschappen konnende hebben, de Al dan alle eigenschappen moet hebben: en zo dan de Niet geen eigenschappen hebbende omdat hij niet is, zo heeft de Iet eigenschappen omdat hy Iet is. Ergo dan hoe meer Iet is hoe hij meer eigenschappen moet hebben en dienvolgende dan God de volmaakste, de oneijndige, de alle Iet zijnde, zo moet hij ook oneindige, volmaakte en alle eigenschappen hebben.
  7. Konnende dan bewijzen datter geen Bepaalde Selfstandigheid kan zijn, zo moet dan alle Selfstandigheid onbepaald aan't goddelijk wezen behooren. Dit doen wij aldus: 1. of ze moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben: niet zij haar zelve want onbepaald geweest zijnde, zoude zij haar geheel wezen moeten verandert hebben. Van een ander isse ook niet bepaalt: Want die moet zijn bepaald of onbepaald; niet het eerste, ergo 't leste, ergo 't is God. Deze dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt of aan de wil ontbrak: maar 't eerste is tegen de almachtigheid, het tweede tegen de goedheid. 2. Datter [gee]n Bepaalde zelfstandigheid kan zijn is hier uijt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude moeten hebben, dat ze van de niet heeft, 't welk onmogelijk is. Want van waar heeft ze dat daar in ze verschilt van God? Niet van God altijd, want die en heeft niet onvolmaakts of bepaalts enz. Ergo dan van waar als van de Niet? Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald.
    Waar uijt volgt, datter geen twee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn: Want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling.
    En uijt deze volgt weder, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen. Aldus: de oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben de zelfde eigenschap van dese voortgebrachte en ook of eeven zo veel volmaaktheid of meerder, of minder. Niet het 1. want dan waren twe gelijke. Niet het 2. want dan wasser een bepaalde. Niet het 3. want van de Niet komt geen Iet. Ten anderen: als van de onbepaalde een bepaalde kwam, zo wierd de onbepaalde ook bepaald enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d'ander niet voortbrengen.
    En uijt dit volgt dan alweer dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet [zijnde], daar is geen mogelijkheid te konnen komen.
  8. Hier op te <antwoorden> zeggen dat de Natuur van de zaak zulk vereischte en derhalven niet anders konde zijn, is niet gezeit: want de natuur van de zaak kan niets vereischen als ze niet en is. Zegt gij dat men nogtans kan zien wat tot de natuur van een zaak behoort die niet en is: dat is waar quo ad existentiam, maar geenzins quo ad essentiam. En hier in is 't onderscheid tusschen scheppen en genereren. Scheppen dan is een zaake daarstellen quoad essentiam et existentiam simul maar genereren is dat een zaake voortkomt quoad existentiam solum. En daarom isser nu in de Natuur geen scheppen, maar alleen genereren. So dat dan als God schept, zo schept hij de natuur van de zaak met de zaak gelijk. En zo zoude hij dan wangunstig zijn, zo hij wel konnende maar niet willende de zaak zodanig had geschapen, dat zij met haar oorzaak in essentia et existentia niet soude overeenkomen. Doch 't geen wij hier scheppen noemen, en kan eigentlijk niet gezeid worden ooijt geschied te zijn en is maar om aan te wijzen, wat wij tusschen scheppen en gene[reren] on[derscheid] stel[lende, daar] van [konnen zeggen.]
  9. Dat is wanneer wij haar uijt deze bekentenisse van dat God alwetende is, doen argumenteren, dan en kunnen zij niet als aldus argumenteren.
  10. Dat is, zo verscheijde selfstandigheden waren die niet tot een eenig wesen betrokken wierden: zo dan war de vereeninge onmogelijk, omdat wij klaarlijk zien dat zij al heel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uijtgebreidheid, daar van wij nogtans bestaan.
  11. Dat is, indien geen zelfstandigheid kan sijn als wezentlijk en evenwel nogtans geen wezentlijkheid volgt uijt haar wezen wanneer ze afgescheide begrepen word, zo volgt datze niet iets bezonders, maar iets dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en alwezen. Of aldus: alle selfstandigheid is wezentlijk en geen wezentlijkheid van eenige selfstandigheid op zig zelfs begrepen, en volgt uijt zijn wezen; ERGO dan geen wezentlijke selfstandigheid kan op zig zelve werden begreepen, maar moet tot iets anders behooren: Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uijtgebreidheid verstaande, zoo verstaan wij die niet als in haar wesen en niet in haar wezent[lijk]heid, dat is dat haar wezent[lijk]heid noodzakelijk aan haar wesen toebehoort: Dog omdat wij bewijsen dat ze een eijgenschap van God is, daar uijt bewijsen wij a priori dat se is en a posteriori (ten anzien van de uijtgebreijdheid alleen) uijt de wijsen die nootaaakelijk dit tot haar subjectum moeten hebben.
  12. In de natuur dat is in de zelfstandige uijtgebreidheid: want die gedeeld wordende, zo word haar natuur en wezen t'eenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneijndige uijtgebreijdheid of geheel te zijn, dat het zelfde is. Maar zult gij zeggen: iss'er geen deel in de uijtgebreijdheijd voor alle wijse? Geenzins, seg ik. Maar zegt gij, alss'er beweging in de stof is, die moet in een deel van de stoff zijn, want niet in 't geheel, dewijl die oneijndig is, want waar heen zou die bewogen worden? Buijten haar is niet; ergo dan in een deel. Antwoord: daar is geen beweging alleen, maar beweging en stilte zamen; en deze is in het geheel en moet daar in zijn, want daar is geen deel in de uijtgebreijdheijd. Zo gij nog al Ja zegt, zegt mij dan: als gij de heele uijtgebreidheijd deeld, dat deel dat gij met U verstand van haar afsnijd, kont gij ook na de natuur van alle deelen daar van afscheide; dat dan gedaan zijnde, vraag ik: wat iss'er tusschen dit afgesneede deel en de rest? Gij moet zeggen, of een ijdel of een ander lichaam of dat van de uijtgebreidheijd selve; daar is geen vierde. Niet het eerste, want daar is geen ijdel, dat stellig en geen lighaam is. Niet het twede, want dan wass'er wijze, die'er niet kan zijn, want de uijtgebreidheid als uijtgebreidheid is zonder en voor alle wijze. Ergo dan het derde en zo en iss'er geen deel, maar de uijtgebreidheid geheel.
  13. Vide pag. [fol. 47] et seq. cap. 7.
  14. Deze volgende worden Eigene genoemd, omdat zij niet anders als Adjectiva die niet verstaan konnen worden zonder haar Substantiva. Dat is God zoude zonder deze geen God zijn, maar nogtans is door deze geen God; want zij niet zelfstandigs door welke God alleen bestaat, te kennen geven.
  15. Aangaande de eigenschappen van dewelke God bestaat, die zijn niet als oneyndige zelfstandigheeden van de welke een ieder des zelfs oneindig volmaakt moet zijn. Dat dit noodzaakelijk zo moet zijn, daarvan overtuygt ons de klare en onderscheidelyke reeden. Doch datter van alle deze oneindige tot nog toe maar twee door haar zelf wezen ons bekend zijn, is waar; en deze zijn de denking en uytgebreidheid. Voort alles dat gemeenlijk aan God werd toegeschreven, en zijn geen eijgenschappen, maar alleen zeekere wijzen, de welke hem toegeeigent mogen werden of in aanmerkinge van alles, dat is alle zijne eigenschappen, of in aanmerkinge van Een eigenschap. In aanmerkinge van Alle, als dat hy is een, eeuwig, door zig zelfs bestaande, oneindig, oorzaak van alles, onveranderlijk. In aanmerkinge van eene, als dat hij [fol. 47] is alwetende, wijs, enz. het welk tot de denking, en weder dat hij is overal, alles vervult, enz. het welk tot de uytgebreidheid toe behoort.
  16. Verstaat hem genomen in aanmerking van alles wat hij is, of van alle sijn eigenschappen; ziet hiervan pag. [fol.] 46.
  17. Nota. 't geen hier van de beweginge inde Stoffe gezeid word, is hier niet in ernst gezeid. Want den Autheur meent daaraf de oorzaak nog te vinden gelijk hij a posteriori al eenigzins gedaan heeft, doch dit kan hier so wel staan, dewijl op het selve niets gebouwd is of daar van afhangig is.
Outils personnels
Espaces de noms
Variantes
Actions
Découvrir
Œuvres
Échanger
Ressources
Boîte à outils