Het eerste DEEL, van GOD.
Het twede DEEL van DE MENSCH.
Dewelke in deze twee Boeken zijn begrepen; te wete
Eerst Handelende van God en het geen aan hem aanhoorig is, hebbende deze volgende Hooftdeelen
I. Dat God is
II. Wat God is
III. Dat God is een oorzaak van alles
IV. Van Gods noodzaakelijke werken
V. Van Gods Voorzienigheid
VI. Van Gods Prædestinatie
VII. Van de eijgenschappen die tot God niet behooren
VIII. Van de Naturende Natuur
IX. Van de Genatuurde Natuur
X. Wat goet en kwaad is
Tweede Handelende van een Volmaakt mensch om in staat te zijn van zig te konnen met God vereenigen
I. Van waan, geloov en weten
II. Wat waan, geloov en klaare kennis zij
III. Lijdings oorspronk. Lijding uijt waan
IV Wat uijt geloof voortkomt en van't goet en kwaad des menschen
V. Van de Liefde
VI. Van de Haat
VII. Van de Blijdschap en Droevheid
VIII. Achting en Versmaading
IX. Hoope en Vreeze
X. Van Knaging en Berouw
XI. Van Bespotting en Boerterij
XII. Van de Eere, Beschaamtheid en Onbeschaamtheid
XIII. Van de Gunste, Dankbaarheid en Ondankbaarheid
XIV. Van het Beklag
XV. Van't Waare en't Valsche
XVI. Van de Wille
XVII. Van't onderscheid tusschen de Wil en Begeerte
XVIII. Van de Nuttigheeden van't voorgaande
XIX. Van onze Gelukzaligheid
XX. Bevestiging van't voorgaande
XXI. Van de Reede
XXII. Van de Waare kennis, Weedergeboorte enz.
XXIII. Van des Ziels onsterfelijkheid Het eerste DEEL, van GOD.
[1]Cap. 1
1/1,1 Belangende dan het eerste namenlijk of'er een God is? Dat zeggen wij te konnen bewezen worden voor eerst (a priori of) van vooren aldus:
1. 1Alles wat wij klaar en onderscheiden verstaan aan de [2]*Natuur van een zaak te behooren, dat konnen wij ook met waarheid van die zaak bevestigen:
[2] 2Maar dat de wezentheid aan de Natuur Gods toebehoort, konnen wij klaar en onderscheidentlijk verstaan. Ergo.
Figure 1. KB 75G15 f.1 KB 75G15 f.1
1/1,2 Anderzints ook aldus:
[3] De 3wezentheeden van de zaaken zijn van aller Ewigheid en zullen <van> in alle ewigheid onveranderlijk blijven:
De wezentlijkheid Gods is wezentheid. ERGO. 1/1,3 A (Posterioriof) van agteren aldus:
[4] 4Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet <de> **[3]God formelijk zijn:
[5] 5Maar de mensch heeft een Idea van God. ERGO.
1/1,4 Het eerste bewijzen wij aldus:
Als'er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn <maar de mensch> en in zig vervatten alles wat de Idea voorwerpelijk heeft: Maar daar is een Idea van God: ERGO. 1/1,5 Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wijze volgende grond regulen, te weten:
1. Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn;
2. Dat een eijndig verstand het oneijndige niet kan begrijpen;
3. Dat een eijndig verstand door zigzelfs ten zij het van iet van buijten bepaald wordt, niet en kan verstaan; omdat gelijck |f.2 het geen magt heeft alles gelijkelijk te verstaan, alzo wijnig heeft het ook magt om te konnen Exempli gratiâ, dit eer als dat of dat eer als dit beginnen of aanvangen te verstaan. Het eerste <dat> dan nog ook het tweede niet konnende, zo en kan het niets. 1/1,6 De eerste (of major) wordt aldus bewezen:
Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude <hij> het onmogelijk zijn, dat hij iet zoude konnen begrijpen. Maar hij kan iet begrijpen: Ergo.
1/1,7 Het eerste wort bewezen door de eerste grond regel: namelijk Dat de kennelijke dingen oneijndelijk zijn. en volgens de tweede grondregel en kan hij niet alles verstaan, dewijl het menschelijk verstand bepaald is en door geen uijtterlijke dingen bepaald wordende om dit eerder als dat, en Dat eerder als Dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het volgens de derde regel iets zoude konnen verstaan.
1/1,8 **[4]Uijt alle het welk dan het twede bewezen word, namelijk Dat de oorzaak van de Idea des mensche niet is sijne verzieringe maar eenige uijtwendige oorzaak, die hem dringt het eene eerder als het andere te verstaan, Zijnde niet anders als dat die dingen formelijk zijn en hem nader als andere welkers voorwerpelijke wezentheid in zijn verstand is. Soo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uijtstekentlijk, aangezien boven of buijten hem niet wezentlijker of voortreffelijker is. 1/1,9 Dat nu de mensch de Idea van God |f.3 heeft, zulks is klaar, dewijl hij sijne *[6]eijgenschappen verstaat, welke eijgenschappen van hem niet konnen voortgebragt worden, omdat hij onvolmaakt is. Maar dat hij nu deze eigenschappen verstaat, is hier uijt blijkelijk, dat hij namelijk weet, dat het oneijndige van geen verscheide bepaalde deelen kan tezamengezet worden: datter geen twee oneijndelijke en konnen zijn, maar Een Eenig: dat het volmaakt en onveranderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelfs haar eijgen vernietinge zoekt: en meede, dat het tot of in iet beters [niet] kan *[7]veranderen, aangezien het volmaakt is, 't welk het als dan niet en zoude zijn. Of ook dat het zulks niet kan onderworpen zijn door iet dat van <buijten> buijten komt, nadien het almagtig is, enz. 1/1,10 Uijt dit alles dan volgt klarlijk, datmen en (a prioiri) van vooren en (a posteriori) van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori. Want de dingen die men als zodanig bewijst, moet men door haar uijtterlijke oorzake betonen, het welke <is> in haar is een openbaare onvolmaaktheid, als de welke hun zelve door hun zelve niet en konnen te kennen geven, maar alleen door uijtterlijke oorzaaken. Dog God, de eerste oorzaak aller dingen en ook de oorzaak sijns zelfs, die geeft hem zelve te kenne door hem zelve. Weshalven van niet veel belang is het segge van Thomas Aquina, namentlijk dat God a priori niet en |f.4 zoude konnen beweezen worden, om dat hij kwansuijs geen oorzaak heeft.
Cap. <2> II
1/2,1 Nadat wij nu als boven bewezen hebben dat God is, zo zal het nu tijd zijn te tonen wat hij is, namelijk hij is zeggen wij, een *[8]wezen van de welke alles ofte oneijndelijke eijgenschappen gezeijd worden, van welke eijgenschappen een ijder deszelfs in zijn geslagte oneijndelijk volmaakt is. 1/2,2 Om dan onze meeninge in dezen klaar uijt te drukken zullen wij deze vier navolgende dingen vooraf zeggen.
1. *[9]Datter geene bepaalde selfstandigheid en is, maar dat alle selfstandigheid in sijn geslagte oneijndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid volmaakter kan sijn als die alreeds inde Natuur is.
2. Dat"er ook geen twe gelijke selfstandigheeden zijn.
3. Dat d'eene selfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen.
4. Datter in het oneijndelijke verstand Gods geen selfstandigheid is als die formelijk inde Natuur is.
1/2,3 Wat dan aangaat het 1. namelijk dat'er geen bepaalde selfstandigheid en is enz. Zo iemand het tegendeel |f.5 des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wij aldus, te weete:
Of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, namentlijk dat ze zig zelfs zo bepaald en niet onbepaalder heeft willen maaken: dan of zij sodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven: 1/2,4 Niet het eerste is waar omdat het niet mogelijk is dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen; en dat zo een zelfstandigheid die door zig zelfs geweest is, ERGO dan zeg ik isse door haar oorzaak bepaald, de welke noodzaakelijk God is. 1/2,5 Voorder indien zij dan door haar oorzaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat <zy> die oorzaak niet meer heeft konnen geven of omdat die niet meer heeft willen geeven; Dat hij niet meer zoude hebben konnen, zoude strijden tegen sijn almagtigheijd, *[10]dat hij niet meer zoude hebben willen, aangezien hij wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God die alle goet en volheid is, geen zins en is.
1/2,6 Het tweede belangende, Datter geen twe gelijke selfstandigheden zijn, bewijzen wij, omdat ieder zelfstandigheid in sijn geslagte volmaakt is, want zo'er twee gelijke |f.6 waren, zo most noodzaakelijk de een de andere bepaalen en dienvolgende niet oneijndelijk zijn, gelijk [wij] al voor dezen bewezen hebben.
1/2,7 Nopende dan het derde, te wete, dat de eene selfstandigheid d'ander niet en kan voortbrengen: zo weederom iemant het tegendeel mogt staande houden, da<t>[n] vragen wij of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eijgenschappen van het voortgebragte heeft of niet en heeft? 1/2,8 Niet het laatste is, want van de Niet kan geen Iet voortkomen: Ergo dan het eerste. En dan vraagen wij voorder of in die eijgenschap die oorzaak zoude zijn van dit voortgebragte, even zo veel volmaaktheijd is, of datter minder of datter meerder in is<?> als in dit voort gebrachte? Minder kander niet in zijn om reeden vooren, meerder ook niet zeggen wij, omdat als dan deze tweede bepaald zoude zijn, hetwelk strijd tegen 't geen nu al van ons bewezen is. Ergo dan even zo veel, ergo dan gelijk en twee gelijke zelfstandigheeden klaarlijk |f.7 strijdende met ons voorige bewijs. 1/2,9 Verder, 't geene geschapen is en is geenzins voortgekoomen vande Niet, maar moet noodzaakelijk van hem die wezentlijk is, geschapen zijn. Maar dat van hem iets zoude voortgekomen zijn, 't welke iets hij niet als dan en zoude minder hebben nadat het van hem is voortgekomen, dat en konnen wij met ons verstand niet begrijpen. 1/2,10 Eijndelijk, zo wij de oorzaak van die zelfstandigheid die het beginzel is van de dingen dewelke uijt haar eijgenschap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak en dan weder de oorzaak van die oorzaak et sic in infinitum, zodat, Indien wij noodzaaklijk ergens moeten stuijten en rusten gelijk wij moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid.
1/2,11 Ten vierden, dat er geen selfstandigheid of eijgenschappen in het oneijndelijk verstand Gods zijn als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen 1. Uijt de oneijndelijke magt Gods, omdat in hem |f.8 geen oorzaake en kan zijn door welke hij zoude hebben konnen beweegt worden het eene <mee> eerder of meerder als 't ander te scheppen. 2. uijt de eenvoudigheijd van zijne wille. 3. omdat hij 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wij hier na zullen bewijzen. 4. om dat geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het soude konnen komen, dewijl de eene zelfstandigheijd de ander niet en kan voortbrengen. En dat meer is, zo doende zouden er oneijndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn. Het welke ongerijmt is. 1/2,12 Uijt alle deze dan volgt: dat van de Natuur alles in allen gezeijt word en dat alzo de Natuur bestaat van oneijndelijke eijgenschappen, van de welke een ieder des zelfs in sijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men aan God geeft. 1/2,13 Tegen 't geene [dat] wij nu gezeijt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneijndelijk verstand Gods is, als 't geen formelijk inde Natuur is, willen eenige op deze wijzen |f.9 argumenteren: Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hij niet meer scheppen. Maar dat hij niet meer zoude konnen scheppen streijd tegen sijn almogentheijd. Ergo. 1/2,14 Het eerste belangende, wij staan toe dat God niet meer kan scheppen. En wat het twede aangaat zeggen wij, dat wij be<k>kennen, Indien God niet alles zoude konnen scheppen wat scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen sijn almogentheid, maar geenzins indien hij niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is, gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft en evenwel nog meer zoude konnen scheppen. En zeker het is een veel grooter volmaaktheid in God, dat hij alles wat in sijn oneijndelijk verstand was, geschapen heeft als dat hij het niet en zoude geschapen hebben, noch nooijt zo zij spreeken, zouden hebben konnen scheppen. 1/2,15 En waarom dog hier van zo veel gezeijd? *[11]En argumenteren zij zelve niet aldus off en moeten zij niet aldus argumenteren: Indien God alwetende is, zo |f.10 en kan hij dan niet meer weten: maar dat God niet meer weten kan, strijd tegen sijne volmaaktheid: Ergo. Dog indien God alles in zijn verstand heeft en door sijn oneijndelijke volmaaktheijd niet meer kan weten, wel waarom dan en konnen wij niet zeggen, dat hij ook alles wat hij in zijn verstand hadde heeft voortgebragt, en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijn.
1/2,16 Dewijl wij dan nu weten dat alles gelijkelijk in het oneijndelijk verstand Gods is en dat'er geen oorzaak is, waarom dat hij dit eerder en meerder als dat zoude geschapen hebben, en alles konde in een ogenblik voortgebracht hebben, zo laat ons dan een[s] zien of wij niet tegen haar even de zelve wapenen konnen gebruijken, die zij tegen ons aanneemen. Aldus namelijk: Indien God nooijt zo veel kan scheppen of hij zoude nog konnen meerder scheppen, zo kan hij nooijt scheppen 't geen hij kan scheppen, maar dat hij niet kan scheppen 't geen hij kan scheppen, is strijdig in zig zelve. Ergo. |f.11
1/2,17 De reeden dan om dewelke wij gezeijd hebben, dat alle deze eijgenschappen die inde Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geenzins verscheijde, want wij die de eene zonder de ander en d'ander zonder de ander klaar en onderscheijden konnen verstaan, die zijn deze: 1. omdat wij nu al vooren gevonden hebben, dat'er een oneijndelijk en volmaakt wezen moet zijn, door het welke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen van 't welke alles in allen moet gezeijt worden. Want hoe aan een wezen 't welk eenige wezentheijd heeft, moeten eijgenschappen gezet worden, en zo veel wezentheijd als men het meer toeschrijft, zoo veel eijgenschappen moetmen het <oog> ook meer toeschrijven en gevolglijk zo het wezen oneijndelijk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneijndelijk zijn en even dit is het dat wij een volmaakt wezen noemen.
2. om de eenigheid die wij alom in de natuur |f.12 zien. Inde welke *[12]zo verscheijde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen. Ten 3. omdat gelijk wij nu al gezien hebben dat de eene zelfstandigheijd de ander niet kan voortbrengen noch ook dat zo een zelfstandigheijd niet en is, het onmogelijk is dat se zouden beginnen te zijn. *[13]En evenwel nogtans zien wij dat in geen selfstandigheijd (die wij niet te min weeten dat in de Natuur is, afzonderlijk begrepen zijnde), eenige noodzakelijkheid is om wezentlijk te zijn: aangezien geen wezentlijkheijd aan hare bezondere wezentheijd toebehoort, zo moet noodzakelijk volgen, dat de Natuur dewelke van geen oorzaaken komt en die wij nogtans wel weten dat is, noodzakelijk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezentlijkheid toebehoort.
1/2,18 Uijt dit alles dan dat wij nu dus verre gezeijd hebben, blijkt dat wij de uijtgebreijdheijd een eijgenschap van God stellen te zijn, dewelke in een volmaakt wezen geenzins en scheijnt te konnen vallen: Want nademaal de uijtgebreijdheijd deelbaar is, zo zoude het volmaakte Wezen van deelen |f.13 bestaan, 't welk aan God alheel niet kan toegepast worden, dewijl hij een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uijtgebreijdheid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geenzins in God (die onlijdelijk is en van geen ander kan lijden, nadien hij van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebben. 1/2,19 Waarop wij antwoorden: 1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen wezens van reeden en dien volgende en zijn *[14]inde Natuur nog geheel nog deelen. Ten 2. een zaake te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn dat de delen deszelfs in het bezonder genomen de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als bij Exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet: daar in kan zeg ik, een ijder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden zonder dat het geheel soo als 't samengezet is daar toe van nooden is. Desgelijks meede in het water het welke van regte lankwerpige bestaat, kan ijder deel deszelfs bevat en verstaan worden en bestaan zonder 't geheel; Maar de |f.14 uijtgebreijdheijd zijnde een zelfstandigheijd, van die en kan men niet zeggen dat ze deelen heeft, aangezien se nog kleijnder nog grooter kan worden en geen deelen des selfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zij in haar natuur moet oneijndelijk zijn. En dat ze nu zodanig moet zijn, volgt hier uijt, namentijk om dat indien zij zodanig niet en is, maar dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zij geenzins door haar natuur oneijndelijk als gezeijd: Dog dat in een oneijndelijke natuur deelen zoude konnen werden geconcipieert, is onmogelijk, want door haar natuur zijn alle deelen eijndelijk. 1/2,20 Doet hier nog bij: indien zij van verscheijde deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uijtgebreijdheijd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden: een zaak de welke klaarlijk tegenstrijdig is in zo iets, het welke door zijn eijgen natuur oneijndig is en nooijt bepaald off eijndig kan zijn off verstaan worden. 1/2,21 Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wij, dat de deelinge noijt gelijk al vooren mede gezegt is, en gescheid in de zelfstandigheijd maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheijd. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de |f.15 wijse van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheijd zelve, welke wijsen nu van 't water, dan van wat anders altijd het zelve is. 1/2,22 De deeling dan of lijdinge geschied altijd in de wijse: gelijk als wij zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan vande mensch ten aanzien hij zo een tsamenstel en wijse is van de zelfstandigheijd en niet de zelfstandigheid van de welke hij afhangt <zelve> zelve. 1/2,23 Ten anderen: wij hebben alreeds gelijk wij ook nog hier na zullen zeggen gesteld, datter buijten God niets niet en is. En dat hij een inblijvende oorzaak is, dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheijden zijn, is een tastelijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van dat geene afhangen het welke hem van buijten het lijden heeft veroorzaakt, het welk in God die volmaakt is, geen plaats heeft. 1/2,24 Voorder van zo een werker de welke in sig zelfs werkt, en kan men nooijt zeggen dat hij die onvolmaakt[heid] heeft van een lijder, dewijl hij niet van een ander lijd, gelijk als daar is het verstand, het welke, zo ook de Philosophen zeggen, een oorzaak is van zijn begrippen: Maar aangezien het een inblijvende oorzaak is, wie zoude dorven zeggen dat het onvolmaakt is zo dikwijls het van zig zelven lijd? 1/2,25 Eijndelijk de zelfstandigheijd, dewijl zij en het beginsel is van alle haare wijsen, zo kan zij met veel grooter regt een Doender als een Leijder genoemt worden. En met dit gezeijde agten wij alles genoegzaam beantwoord. |f.16
1/2,26 Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak die dit lichaam doet bewegen moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan. En aangezien het klaarlijk blijkt, datter inde Natuur ruste en beweginge is, zo moet die, meenen zij, <van een> nootzaakelijk van een uijtterlijke oorzaak herkoomen. 1/2,27 Dog ligt is het voor ons hier op te antwoorden; want wij staan toe, dat indien het lighaam een zaake was door zig zelfs bestaande en anders geen eijgenschap en hadde als lang, breet, en diep, dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn indien het <waarlijk ruste> waarlijk ruste, om zig zelfs te beginnen te bewegen: Maar wij hebben als vooren gesteld de Natuur een wesen te zijn, van het welke alle eijgenschappen geseid worden en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken om voort te brengen alles wat voort te brengen is.
1/2,28 Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wij van sijn eijgenschappen maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn maar bestaan in twee namelijk Denking en Uijtgebreijdheid: want hier spreeken wij maar alleen van eijgenschappen die [men] zoude eigene eijgenschappen Gods kunnen noemen, door de welke <hij hem> wij hem in zig zelf en niet als werkende buijten zig zelfs komen te kennen. |f.17
1/2,29 Al wat dan de menschen aan God buijten deze twee eijgenschappen meer toeschrijven, dat zal (indien het anderzins tot hem behoord) moeten zijn off een uijtwendige benaming, gelijker wijs als dat hij is door zig zelfs bestaande, Eewig, Eenig, Onveranderlijk enz. ofte zeg ik, in opzigt van sijne werkinge: gelijker wijs als dat hij is een Oorzaak, een Voorbeschikker, en Regeerder van alle dingen, welke alle eijgen aan God zijn zonder nogtans te kennen te geeven wat hij is. 1/2,30 Edog hoe en op wat wijze *[15]deze eijgenschappen nogtans in God plaats konnen hebben, zullen wij hier na in de volgende hooftdelen zeggen. Maar tot een beter verstand dezes en naader opening hebben wij goet gedagt, deze volgende reedenen hier bij te voegen: bestaande in een Zamenspreeking tusschen het Verstand, de Liefde, de Reede, en de Begeerlijkheid.
Z1,1 Liefde: Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid en nadien de volmaaktheid van het voorwerp 't welk |f.18 gij begrepen hebt uwe volmaaktheid is, en uijt de uwe weeder de mijne hervoortkomt, zo zegt mij eens, ik bid u, of gij zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten volmaakt is, niet konnende door iets anders bepaald worden en in het welk ik ook begrepen ben? Z21/2 Verstand: Ik voor mij en aanschouw de Natuur niet anders als in sijn geheel oneijndelijk en ten oppersten volmaakt en gij zo [gij] daar aan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen.
Z1/3 Reeden: De waarheid hier van is mij ontwijffelijk: want zo wij de Natuur willen bepaalen, zo zullen wij hem, 't welk ongerijmt is, met een Niet moeten bepaalen [welke ongerijmtheid wij ontgaan stellende dat hij is] [Een, Eeuwig, door zig zelfs oneindelijk,] [en dat onder deze volgende eijgenschappen,] namelijk dat hij is Een, Eeuwige Eenheid, oneindig, almagtig, enz. De Natuur namentlijk oneijndig en alles in dezelve begreepen: en de ontkenninge dezes noemen wij de Niet.
Z1/4 Begeerlijkheid: En dog dit rijmt zig alwonderlijk, dat de Eenheid met de Verscheidentheid die ik alomme in de Natuur zie, te zamen overeen komt. Want hoe? Ik zie dat de Verstandige Zelfstandigheid |f.19 geen gemeenschap heeft met de Uijtgebreide Selfstandigheid en dat d'een de andere bepaald: Z1/5 en indien gij buijten deze twee Zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gij u zelven in openbaare strijdigheeden; want zo deze derde gesteld word buijten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren: het welk immers in een geheel buijten 't welk geen ding is, geen plaats kan hebben. Z1/6 Daar en boven zo dit wezen almagtig is ende volmaakt, zo zal het zodanig dan zijn, om dat het zig zelfs en niet omdat het een ander heeft veroorzaakt; en nogtans zoude hij almagtiger zijn, die dewelke en zig zelve en daar en boven nog een ander konde voortbrengen. Z1/7 En eijndelijk indien gij 't alwetende noemd, zo is 't noodzaakelijk dat het zig zelfs kenne en met een moet gij verstaan, dat de kennisse van zig zelfs alleen minder is als de kennis van zig zelfs |f.20 te zamen met de kennisse van de andere zelfstandigheeden. All het welk openbaare tegenstrijdigheden zijn. En daarom wil ik de Lievde geraaden hebben, dat zij zig gerust houde met het gene ik haar aanwijze en na geen andere dingen om te zien.
Z1/8 Lievde: Wat dogh, O Eerlooze, hebt gij mij aangeweze anders als datgene uijt het welke terstond mijn verderf gevloeijd is? Want zo ik mij ooit met datgene 't welk gij mij hebt aangewezen hadde vereenigd, aanstonds was ik vervolgd geweest van twee hooft vijanden des menschelijken <geslagts>geslaghts de Haat namentlijk en het Berouw en van Vergeetenheid ook meenigmaal; en alzo keer ik mij andermaal tot de Reeden en dat hij maar voortgaa en aan deze vijanden den mond stoppe. Z1/9 Reeden: Dat gij dan, O Begeerlijkheid, zegd verscheide zelfstandigheden te zien, dat is zeg ik u, valsch: Want klaarlijk zie ik dat'er maar een Eenige is, de welke door zig zelve bestaat van alle de andere eigenschappen een onderhouwder is. En bijaldien gij |f.21 dan het lighamelijke en het verstandige wilt noemen Zelfstandigheeden in opzigt van de Wijzen die daar van afhangig zijn, wel aan, zo moet gij haar dan ook wijzen noemen in opzigt van de Zelfstandigheden van de welke zij afhangen: want als door zig zelvs bestaande en worden zij van u niet begrepen: En op dezelve manier, als het willen, gevoelen, verstaan, beminnen, enz. verscheijde wijzen zijn van 't geen gij een denkende Zelfstandigheid noemd, die gij alles tot een brengt en van alle deze een maakt; alzo ik ook dan besluijt door uw eijgen bewijzen, dat En de Oneijndige Uijtgebreidheid en denking mitsgaders andere oneijndige eijgenschappen (of volgens uw stijl andere Zelfstandigheeden) niet anders zijn als wijzen van dat Eenige, Eeuwige, Oneindige, door zig zelvs bestaande Weezen; en van alle deze stellen wij als gezeid, Een Eenige ofte Eenheid, buijten welke men geen zaake verbeelden kan.
Z1/10 Begeerlijkheid: In deze uwe manier van spreken zie ik, zo mij dunkt, een zeer groote verwerringe; want |f.22 gij schijnt, te willen dat het geheel iets zoude zijn buijten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. Want alle Philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tweede kundigheid en dat in de Natuur buijten het menschelijk begrip geen zaake en is. Z1/11 Daar en boven zo ik uijt u Exempel afneem, zo vermengd gij het geheel met de oorzaak: want gelijk ik zegge, Het geheel bestaat alleen van of door sijn deelen en alzo is 't dat gij de denkende <zaak> kraght verbeeld als zaak van de welke het Verstand, de Lievde, enz. afhangd. En gij kond die geen Geheel noemen, maar een Oorzaak van de Uijtwerkselen van U nu al ge<kend>noemd. Z1/12 Reede: Ik zie vast hoe gij tegen mij alle uwe vrunden te zamen roept en alzo 't gene gij niet vermogt hebt met uwe valsche reedenen uijt te werken, dat tragt gij nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden gelijk gemeenlijk het werk is der genen, die zig teegen de waarheid kanten. Dogh 't en zal u om door dat middel de Lievde |f.23 tot U te krijgen, niet gelukken. Uw zeggen dan is, dat de oorzaak (aangezien zij is een Veroorzaker van sijne uijtwerkzelen) derhalven buijten dezelve moet zijn. En dit zegd gij daarom dewijl gij maar alleen en weet van de Oovergaande en niet van de Inblijvende oorzaak dewelke geenzins iets buijten zig zelve voortbrengd.
Bijvoorbeeld. Het Verstand, het welk oorzaak is van sijn begrippen, en daarom word ook het verstand van mij (voor zo veel of in opzigt het van zijne begrippen afhangd) genoemt een oorzaak: En wederom in opzigt het bestaat van sijne begrippen, een geheel. Alzo ook God en is met zijne uijtwerkzelen of schepzelen geen Ander als een Inblijvende oorzaak, en ook een geheel in opzigt van de tweede aanmerkinge.
Tweede Zamenspreekinge, Dienende eensdeels tot dat voorgaande, anderdeels tot het twede Navolgende Deel, tusschen ERASMUM en THEOPHILUM.
Z2/1 ER: Ik heb u, ô Theophile, hooren zeggen, dat God een oorzaak is van alle dingen en daarbij dat hij geen |f.24 andere oorzaak kan zijn, als een inblijvende. Indien hij dan een Inblijvende oorzaak is van alle dingen. Hoe dan kond gij hem een Verder oorzaak noemen? Want dat is in een Inblijvende oorzaak onmogelijk. Z2/2 THEOPHILUS: Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een Verder oorzaak is, zoo is dat van mij niet gezegd als in opzigt van die dingen, de welke God, zonder eenige omstandigheeden als alleen zijne wezentlijkheid, onmiddelijk heeft voort gebragt, maar geenzins dat ik hem absoluijt een Verder oorzaak hebben genoemt: Hetwelk gij ook uijt mijne woorden klaar hebt konnen afneemen. Want ik heb ook gezeid, dat wij hem in eeniger manieren een verder oorzaak konnen noemen. Z2/3 ERASMUS: 'T geen gij mij wilt zeggen, verstaa ik nu genoegzaam; Maar ik merke ook aan dat gij gezegd hebt, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met sijn oorzaak vereenigt blijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. En indien dit zo is, zo en kan dunkt mij, God geen inblijvende oorzaak zijn. |f.25 Want zo hij en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schrijft gij God op de eene tijd meer wezen toe als op de andere tijd. Neemt mij, ik bidde u, deze twijffel weg. Z2/4 THEOPHILUS: Zo gij, Erasme, uijt deze verwarring wild geraaken, zo neemt eens wel in acht het geen ik u hier zal zeggen.
Het wezen van de zaak en neemt niet toe door het vereenigen van een ander zaak met dewelke het een geheel maakt; maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk. Z2/5 Ik zal u, op dat gij mij te beter zouwd verstaan, een voorbeeld stellen. Een beeldhouwer die heeft van houwt gemaakt verscheijde gedaante, na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken lighaams; hij neemt een van deze, 't welk de gedaante heeft van een menschelijke borst, hij voegd het te zamen met een ander, dat de gedaante heeft van een menschelijk hooft en maakt van deze twee een geheel hetwelk het bovenste gedeelte van een menschelijk lighaam vertoond; zult gij nu daarom zeggen, dat het wezen van het hoofd heeft toegenomen, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog. Want het is het zelfde dat het te vooren was. Z2/6 Tot meerder klaarheid zal ik u een ander |f.26 voorbeeld stellen namentlijk een denkbeeld, het welk ik hebbe van een driehoek en een ander ontstaande door uijtstrekking van een van de hoeken, welke uijtgestrekte of uijtstrekkende hoek noodzaakelijk gelijk is met de twee teegen gestelde innerlijke, en zo voort. Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw denkbeeld na dat de drie hoeken <gelijk> van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met <de> het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden. Z2/7 En van alle denkbeelden die een ieder heeft, maaken wij een geheel ofte ('t welk hetzelfde is) een wezen van reeden, 't welk wij Verstand noemen. Ziet gij nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met <de> het voorgaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen verandering vald, maar in teegen deel zonder de minste verandering blijft. En hetzelve kont gij ook zien in een iegelijk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd: welke liefde in geenerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen. Z2/8 Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt? Daar gij zelve in het voorgebeelde waaraf wij nu spreeken, dit klaarlijk kond zien. Ik heb duijdelijk gezegd, dat alle eijgenschappen die van geen ander oorzaak afhangen en |f.27 om welke te beschrijven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toe behooren: en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn een eijgenschap te stellen, zo en vermeerderen zij door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zij ook met hetzelve komen te vereenigen. Z2/9 Doet hier bij dat het Geheel maar is een wezen van Reeden en niet en verschild van 't algemeen als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt word van verscheide Niet-vereenigde ondeilbaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare; en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van hetzelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt. Z2/10 ERASMUS: Zoveel dit belangd hebt gij mij voldaan. Maar boven dit hebt gij nog gezegd, dat het gevrogte van de innerlijke oorzaak niet en kan vergaan zo lang zijn oorzaak duurd; het welk ik wel zie zeeker waar te zijn, maar dit zo zijnde, hoe kan God dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gij zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigentlijk een oorzaak is van de gevrogte, die hij onmiddelijke zonder eenige meer omstandigheeden als alleen sijne eijgenschappen, |f.28 heeft voortgebragt en dat deze dan zo lang haar oorzaak duurt, niet en konnen te niet gaan; maar dat gij God geen innerlijke oorzaak noemd van de gevrogte welker wezentlijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maar van eenige andere zaak geworden zijn als alleen voor zo veel haare oorzaaken zonder God niet werken nog konnen werken nog ook buijten hem. En hierom dan ook, aangezien zij niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan. Z2/11 Dogh dit en voldoet mij niet. Want ik zie dat gij besluijt dat het menschelijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voort gebragd. Nu dan het is onmogelijk, dat 'er meer van nooden is geweest om een zodanig verstand voort te brengen als alleen de eigenschappen Gods; want om te Zijn een Wezen van zo een uijtsteekende volmaaktheid, zo moet het alzo wel als alle andere dingen die onmiddelijk van God afhangen, van eewigheid geschapen zijn. En zo ik mij niet bedrieg, ik heb het u hooren zeggen. En dit dan zo zijnde hoe zult gij dit zonder zwarigheid over te laaten, rondschieten? |f.29 Z2/12 THEOPHILUS: 'T is waar, ERASME, dat de dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen andere dingen van doen hebben als de eijgenschappen Gods) die onmiddelijk van hem van eeuwigheid geschapen zijn. Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat'er tot de wezentlijkheid van een zaak vereischt word een Bezondere Wijzing (modificatio) en een zaake buijten de eijgenschappen Gods, dat daarom even wel God niet nalaat een zaak onmiddelijk te konnen voort brengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereijscht worden om de zaaken te doen zijn, zijn eenige omdat zij de Zaak zouden voortbrengen en andere omdat de Zaak zoude konnen voortgebragt zijn. Als bij voorbeeld: ik wil in zeeker kamer ligt hebben; Ik steek het op en dit verligt door zig zelfs de kamer, oft' ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het ligt maakt, maar nogtans te weege brengd, dat het ligt in de kamer kan komen. En alzo word ook tot de beweeging van een lighaam een ander lichaam vereijscht, 't welk al die beweeging moet hebben die van hem over gaat tot het ander. Maar om in ons een denkbeeld van |f.30 God voort te brengen en word geen ander bezonder zaak vereischt, die daar hebbe het geen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig lighaam in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakelijk zij om God onmiddelijk te vertoonen. 'T geen gij ook uijt mijne woorden hebt konnen afneemen. Want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs en niet door wat anders gekend. Z2/13 Dog dit zeg ik u, dat zo lange wij van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld het welk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toelaat eenige zaake te beminnen buijten hem, wij en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd en zo onmiddelijk van hem af te hangen. En 't geene gij nog zout mogen hebben te vraagen, laat dat op een ander tijd zijn; tegen woordig noodigd mij de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel. Z2/14 ERASM: Voor't tegenwoordig niet, maar ik zal mij nu met 'et geen gij mij nu gezeid hebt bezighouwden tot naader gelegentheid en u God beveelen.
Figure 2. KB 75G15 f.30 KB 75G15 f.30
Cap. III
1/3,1 Wij zullen dan als nu aanvangen te handelen van die eijgenschappen, welke wij *[16]Eigene genoemd hebben. En vooreerst hoedanig God Een oorzaak is van alles. Hier te vooren dan hebben wij nu al gezeid, hoe dat de Eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen en dat God een wezen is, van welke alle eijgen|f.31schappen geseid worden; alwaar uijt klaarlijk volgd, dat alle andere dingen geenzins en konnen nog bestaan nog verstaan worden zonder nog buijten hem. Weshalven wij dan met alle reeden mogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles.
1/3,2 Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen, zoo laat ons dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is?
1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde.
2. Ten anderen is Hij Een inblijvende en geen overgaande oorzaake, aangezien hij alles in zig zelfs en niet buijten zig en werkt omdat buijten hem niets niet en is.
3. Ten derden. God is een vrije oorzaak en geen Natuurlijke gelijk wij dat heel klaar zullen toonen en doen blijken, wanneer wij zullen handelen van of God kan nalaaten te doen hetgene hij doet, alwaar dan meteen verklaard zal worden waarin de waare vrijheid bestaat.
4. God is een oorzaak door zig zelfs en niet door een toeval, hetwelk uijt de verhandeling van de Praedestinatie nader zal blijken.
5. Ten vijfden. God is een Voornaame oorzaak van sijne werken die hij onmiddelijk geschaapen heeft als daar is de roeringe in de stof enz. in welke de min voorneeme oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen, als wanneer hij door een harde wind de zee droogh maakt; en zoo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn.
De Minvoorneem-beginnende oorzaak en is in God niet omdat buijten hem niet is dat hem zoude konnen prangen. Dog de voorgaande oorzaak is sijn volmaaktheid zelve; door dezelve is hij en van zig zelfs een oorzaak en bij gevolgh van alle andere dingen.
6. Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beginnende oorzaak gelijk blijkt bij onze voorgaande betooging.
7. Ten zevende. God is ook een Algemeene oorzaak, |f.32 dog alleen in opzigt dat hij verscheide werken voortbrengt, anders kan zulks nooit gezeid worden: want hij niemand van doen heeft, <om uijtwerkzelen voort te brengen> |f.33 om uijtwerkselen voort te brengen.
Figure 3. KB 75G15 f.32 KB 75G15 f.32
8. Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen die oneijndelijk zijn en onveranderlijk en de welke wij van hem zeggen onmiddellijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hij en eenigzins van alle de bezondere dingen.
Figure 4. KB 75G15 f.33 KB 75G15 f.33
Cap. <4> IV.
1/4,1 Dat God het geene hij doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wij en zullen het meede bewijzen handelende van de Predestinatie, alwaar wij betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen. 1/4,2 Dog ten andere dit word meede bewezen door de volmaaktheid Gods: Want het is buijten alle twijffel waar, dat God alles eeven zo volmaakt<elijk> kan uijtwerken als het in sijne Idea is begreepen; en gelijkerwijs de dingen die van hem verstaan worden, van hem niet volmaakter konnen verstaan werden als hij die verstaat, alsoo konnen van hem alle dingen so volmaaktelijk worden uijtgewerkt, datze van hem niet volmaakter en konnen voort komen. Ten anderen als wij besluijten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geen hij <doet> gedaan heeft, zo ontleenen wij dat van sijne volmaaktheid, dewijle het in God te konnen nalaten 't geen hij doet, een onvol|f.34maaktheid zoude zijn; zonder nogtans in God te stellen een minvoorneem-beginnen<en>de oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als dan en waar hij geen God. 1/4,3 Dog nu valt wederom het geschil namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is en hij zo volmaaktelijk kan doen, of hij dat seg ik, zoude konnen nalaten te doen? En of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is?
Wij zeggen dan, <datt> dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan woort, also bij hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij veranderlijk, dat dan in hem een groote onvolmaaktheid zoude zijn. En dat deze voorbepaaldheid <van> bij hem van Eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruijt kragtelijk, dat God <de dingen voo> te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen als die nu van eeuwigheid bepaald zijn en dat God nog voor, nog zonder deze bepalinge heeft konnen zijn. 1/4,4 Voorder, als God iets zoude nalaten te doen, zo most dat voortkomen uijt een oorzaak in hem, of uijt geen. Ja, dan is't noodzaakelijk dat hij het moet nalaten te doen. Zo neen, zo is 't noodzakelijk dat hij het niet moet na laten. Dits in zig zelfs klaar. Alvoorder: in de geschape zaake is het een volmaaktheid datze is en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvolmaaktheid is de grootste onvolmaaktheid het niet zijn. En dewijle het heijl en |f.35 de volmaaktheid van alles is de wille Gods en als God dan zoude willen dat deze zaake niet en waar, zo zoude immers het heil en de volmaaktheid van de zelfde zaak bestaan in het niet zijn, het welke in zig zelfs tegen strijdig is. Alzoo dat wij dan ontkennen, dat God kan nalaten te doen het geene hij doet: 1/4,5 Het welk zommige voor laster en verkleininge Gods achten. Dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin de Ware Vrijheid bestaat; dewelke geenzins en is zo zij waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten: Maar de Ware Vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt en alleen door zijne volmaaktheid oorzaak is van alle volmaaktheid: En dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, hij niet volmaakt zoude wezen: Want het goet doen of volmaaktheid te konnen laten in het geene hij uijtwerkt en kan in hem geen plaats hebben als door gebrek.
Dat dan God <de> alleen de enigste vrije oorzaak is, is niet alleen uijt het geene nu gezeid is klaar, maar ook hierdoor namentlijk dat er buijten hem geene uijtwendige oorzaak is, die hem soude dwingen of noodzaaken; al het welk inde geschapen dingen geen plaats heeft. |f.36
1/4,6 Hier teegen werd op deze wijze geargumenteert: Het goet is daarom alleen goet, om dat God het wil en dit zo zijnde, zo kan hij immers wel maaken dat het kwaad goet werdt. Dog zodanig argumenteeren sluijt also wel, als of ik zeide: om dat God wil dat bij God is, daarom is hij God, ergo 't is in sijn magt geen God te wezen, 't welk de ongerijmtheid zelve is. Voorders als de menschen iets doen en men haar vraagt waarom zij dat doen, de antwoord is, omdat de rechtvaardigheid het also vereischt. Vraagt men dan waarom de Rechtvaardigheid <het also vereischt> of liever de eerste oorzaak van dat alles dat regtvaardig is, zo moet de antwoord zijn, om dat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eijlieve. Zoude de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te zijn? Geenzins, want alsdan en kond'se geen Regtvaardigheid wezen. Maar die geene de welke zeggen, dat God alles 't geen hij doet daarom doet, omdat het in zig zelfs goet is, deze zeg ik, zullen mogelijk denken, dat ze met ons niet verschillen. Doch 't verre daar af, want zij al voor God iets stellen te zijn aan het welk hij verpligt of verbonde zoude zijn, namelijk een oorzaak |f.37 die een begeerte heeft van dat dit goet en dat wederom rechtvaardig is en zoude zijn.
1/4,7 Nu valt dan voorder het geschil namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hij dan zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn? Waarop tot antwoord dient, dat bij aldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest, zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stellinge der geener die God wille en verstand toeschrijven, dat dan <beide> God beide en een andere wille en een ander verstand als doen gehad heeft, volgens de welke hij het anders gemaakt zoude hebbe; en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en doe anders gesteld was als nu; also dat indien wij stellen, hij nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hij het alsdoen niet en was, zo wanneer hij alles anders schiep. Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluijten en geenzins aan God die nu, te vooren en in alle eeuwigheid onveranderlijk is geweest en blijven zal, kan toegepast worden. 1/4,8 Dit word van ons verder bewezen uijt de beschrijvinge |f.38 die wij van de vrije oorzaak gemaakt hebben: de welke niet en is iets te konnen doen of laten, maar alleen dat ze niet van iets anders afhangt. Alzo dat alles wat God doet, dat word van hem als van de allervrijste oorzaak gedaan en uijtgewerkt. Indien hij dan de dingen te vooren anders als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hij t'eeniger tijd onvolmaakt geweest is. 't Welk dan valsch is. Want aangezien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hij doet dat geene het welke hij doet en niet nalaat te doen. Dewijl wij zeggen dat de Vrijheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen en om dat wij mede getoond hebben, dat dat geene het welke hem iets doet doen, niet anders kan zijn als sijne eige volmaaktheid zelve, zo besluijten wij, dat indien het sijne volmaaktheid niet en was, die het hem dede doen, dat de dingen niet en souden zijn of in het wezen konnen gekomen hebben om te zijn het geene die nu zijn. Het welke even veel is als of men zeide: Indien God onvolmaakt was, zo zouden de dingen <die nu zijn> nu anders zijn als die nu zijn.
Dus veel van de eerste; nu zullen wij overgaan tot de tweede eigenschap, die wij in God eigen noemen, en zien wat ons daaraf te zeggen valt en zo voort ten eijnde.
Cap. <5> V.
1/5,1|f.39 De twede eigenschap die wij (Proprium of) eigen noemen is de Voorzienigheid, welke bij ons niet anders is als die poginge die wij en in de geheele Natuur en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen. Want het is openbaar, dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot sijn selfs vernietinge; maar in tegendeel dat ieder dink in [zig] zelfs een poginge [heeft] om zig zelfs en in sijn stand te bewaaren en tot beter te brengen. 1/5,2 Zodat wij dan volgens deze onze beschrijvinge stellen een Algemeene en een bezondere voorzienigheid. De algemeene is die door de welke ieder zaak voortgebragt en onderhouden word voor zoveel zij zijn deelen van de geheele Natuur. De bezondere voorzienigheid is die poginge die ieder ding bezonder tot het bewaren van sijn wezen heeft voor zo veel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt word. Het welk met dit navolgende exempel verklaart word: Alle de Leeden vande mensch woorden voorzien ende voorzorgt voor zo veel zij deelen van de mensch zijn, het welk de algemene voorzienigheid is: en de bezondere is die poginge, die ieder bezonder lit (als een geheel en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eijgen welstand heeft.
Cap. <6> VI.
1/6,1 |f.40 De derde eigenschap is zeggen wij, de goddelijke praedestinatie.
1. Al voorens hebben wij bewezen dat God niet en kan laten te doen het geene hij doet namelijk, dat hij alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, <omdat> dat het niet volmaakter kan zijn.
2. En daar bij, dat geen dink zonder hem en kan bestaan nog ook verstaan worden.
1/6,2 Staat nu aan te merken offer dan inde Natuur eenige gebeurlijke dingen zijn. Namentlijk offer eenige dingen zijn, die konnen gebeuren en ook niet gebeuren. Ten anderen, of er eenige Saake is, van de welke wij niet konnen vragen waarom ze is? Maar dat er geen gebeurlijke dingen zijn, bewijzen wij dusdanig.
Iets dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij: Iets dat gebeurlijk is heeft geen oorzaak ergo. Het eerste is buijten alle dispuijt: het tweede bewijzen wij aldus.
Indien iets dat gebeurlijk is een bepaalde en zeekere oorzaak heeft om te zijn, so moet het dan noodzakelijk zijn; maar dat het ende gebeurlijke ende noodzaakelijke tegelijk zoude zijn is strijdig. Ergo.
1/6,3 Misschien zal iemand zeggen, dat iets gebeurlijk wel geen |f.41 bepaalde en zekere oorzaak heeft, maar een gebeurlijke. Als dit dan zodanig zoude zijn, zo moet het zijn of in sensu diviso, of in sensu composito te weten, of dat de wezentlijkheid van die oorzaak<en> niet, als oorzaak zijnde, gebeurlijk is; of wel dat het gebeurlijk is dat dat iets ('t welk wel noodzakelijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gebeurlijke iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zij valsch. Want wat het eerste aangaat.
Indien dat gebeurlijke iets daarom gebeurlijk is om dat zijn oorzaak gebeurlijk is, zo moet dan ook die oorzaak gebeurlijk zijn, omdat die oorzaak die haar veroorzaakt heeft, ook gebeurlijk is, et sic in infinitum. En dewijl nu al te vooren bewezen is, dat van een eenige oorzaak alles afhangt, zo zoude dan die oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn: 't welk openbaar valsch is. Aangaande het twede dan: bij aldien die oorzaak niet meer bepaald en was om het eene of om het ander voort te brengen, dat is om deze iets voort te brengen of na te laten voort te brengen, zo waar't t'eenemaal onmogelijk en dat hij het zoude |f.42 voortbrengen, en dat hij het soude laten voort te brengen, 't welk regt streidig is.
1/6,4 Wat dan ons voorige tweede belangt van datter in de Natuur geen zaak en is van de welke men niet kan vragen waarom datze is, we[l]k ons seggen te kennen geeft, dat bij ons te onderzoeken staat door welke oorzaak iets wezentlijk is; want die niet zijnde, was 't onmogelijk dat het iets zoude zijn. Deze oorzaak dan moeten wij of in de zaak of buijten de zaak zoeken. Dog zo men na den regul vraagt om dit onderzoek te doen, wij zeggen, dat er al heel geen schijnt van nooden te zijn. Want indien de wezent<heid>lijkheid aan de natuur van de zaak behoort, het is zeker dat wij dan de oorzaak niet buijten haar moeten zoeken: Doch indien het zoodanig niet en is met dit iet, zo moeten wij immers de oorzaak buijten haar zoeken. Maar nademaal het eerste alleen aan God toebehoort, zo word daar door betoond (gelijk wij zulks nu ook al te vooren gedaan hebben) dat God namentlijk <de oorzaak> alleen de [eerste] oorzaak van alles is. 1/6,5 En hier uijt dan blijkt meede dat deze en geene wille van den mensch (want de wezentlijkheid vande wil <van de mensch> en behoort niet aan sijn Wezen) |f.43 ook een uijterlijke oorzaak, van de welke zij noodzaakelijk veroorzaakt word, moet hebben: Het welk ook soodaanig blijkt te zijn uijt alle het geene wij in dit Cap. gezeit hebben en ook nog meer zal blijken, zo wanneer wij in het twede deel van de Vrijheid des menschen zullen handelen en spreeken.
1/6,6 Tegen dit alle word van andere tegengeworpen: Hoe is't mogelijk dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt en de eenigste oorzaak, beschikker en voorzorger van alles te zijn, toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een verwarringe word gezien inde Natuur: En ook, waarom hij den mensch niet heeft geschapen dat hij niet en konde zondigen?
1/6,7 Vooreerst dan, datter verwarringe inde Natuur is, kan met regt niet gezeid worden, aangezien dat niemand alle de oorzaken van de dingen bekend zijn om daar van te konnen oordeelen. Dog deze tegenwerping ontstaat uijt deze onkunde van dat zij al<geen>gemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zij meinen, dat de bezondere om volmaakt te zijn, moeten over een komen. Deze Ideen dan stellen zij te zijn in h<e>et |f.44 verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namentlijk deze algemeene Ideen (als Redelijk, Dier, en diergelijke) van God zijn geschapen; en die Aristotelem volgen alschoon zij wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die <bijhaar> bij haar veeltijds als zaaken aangemerkt, aangezien zij klaarlijk gezeijd hebben dat sijne voorsorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uijtstrekt. e.g. noijt heeft God sijne voorsorge gehad over Bucephalum enz. maar wel over het geheele geslagte van Paard. Zij zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de algemeene die na haar meeninge onvergankelijk zijn. Dog wij hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aangemerkt, want eerst die bijzondere alle alleen hebben oorzaak en niet de algemeene, dewijle die niets zijn.
God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezondere dingen: zo dan de bezondere dingen zullen moeten overeenkomen met een andere Natuur, soo en zullen zij dan niet met haar eigen overeen konnen komen |f.45 en volgens dien niet zijn die zij waarlijk zijn. e.g. bij aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen, zo hadde hij dan ook alleen Adam, en geen Petrus nog Paulus geschapen; ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God, dat hij alle dingen van de minste tot de meeste haar wezentheid geeft, of om beter te zeggen, dat hij alles volmaakt in hem zelfs heeft.
1/6,8 Wat het andere aangaat van waarom dat God de menschen niet en heeft geschapen dat ze niet en zondigen, daarop dient, dat alles watter van de zonde ook gezeid word, zulks alleen maar gezeid word in opzigt van ons te weeten, als wanneer wij twee dingen met den anderen off onder verscheide opzigten vergelijken. E.g. Indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft en dat dat werkstuk met het oogmerk van den maker wel overeenkomt, zo zegt men het goet te wezen en zo niet, zegtmen het kwaat te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buijten tijds te doen slaan, te maaken. 1/6,9 |f.46] Wij besluijten dan te zeggen, dat Petrus met de Idea van Petrus gelijk 't noodzakelijk is, moet overeenkomen en niet met de Idea van Mensch. Goet en kwaat, of zonden en zijn dat niet anders als wijzen van denken en geenzins eenige zaaken off iets dat wezentlijkheid heeft, gelijk wij dat wel ligt in het navolgende nog breeder zullen betoonen.
Want alle dingen en werken die inde Natuur zijn, die zijn volmaakt.
Cap. 7.
1/7,1 Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die *[17]eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren: |f.47 als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: En meede van de wetten der warer beschrijvinge.
1/7,2 Om dit te doen, zullen wij ons niet zeer bekommeren met die verbeeldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben: Maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschreven te zijn Een wezen uijt of van zichzelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig, 't opperste goet, van oneindige barmhertigheid enz. Dog aleer wij tot dit onderzoek toetreden, laat eens vooraf gezien worden, wat zij ons al toe staan.
1/7,3 Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan, en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven.
1/7,4 Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigender |f.48 maar alleen ontkennender wijse weten. ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden.
1/7,5 Daarenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of door sijne uijtwerkinge.
Dewijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken.
1/7,6 Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributa of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig <zef> zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheeden behooren.
1/7,7 |f.49 Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan *[18]hem niet en behooren. Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem selfs bestaande, niet en konnen toegepast worden.
1/7,8 Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed, doch indien zij daar bij iets anders als zij alreeds gezeid hebben verstaan, te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen, zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook |f.50 een oorzaak is van sijn zelfs. Doch dit zal zo wanneer wij van de wille <...komen> des menschen hier na handelen, nog klaarder blijken.
1/7,9 Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen, ontknoopen.
1. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid. Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. En zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten alvooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven hem heeft.
Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan <worden> [noch] gekend worden. |f.51 Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare Stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken.
1/7,10 Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen (of zo andere die noemen selfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven <zich zelven> door zich zelve zig zelfs te kennen geeft en vertoond.
De andere dingen zien wij dat maar wijzen van die eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten).
1. namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor ze meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, |f.52 zo worden zij ook door hun zelfs bekent.
De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. En dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge.
1/7,11 Wat het ander aangaat van dat God van ons gekend zoude konnen worden met een evenmatige kennisse, hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge op de tegenwerpingen deze saake aangaande pag. 18.
1/7,12 En op het derde van dat God niet en zoude konnen apriori bewezen werden, daarop is mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen. En is zulk bewijs ook veel bondiger als dat <apriori> aposteriori, 't welk gemeenlijk niet als door uijtwendige oorzaaken geschied.
Cap. <8> VIII.
|f.53] Alhier zullen wij nu eens eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk geheel de Natuur schiften. Te weten in Natura Naturans en Natura naturata. Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het selve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden.
De Natura naturata zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere. De algemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen, waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata |f.54 om wel begrepen te worden, eenige selfstandigheden van noden heeft.
Cap. 9.
1/9,1 Wat dan nu aangaat de algemene natura naturata of die wijsen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wij niet meer als twee namelijk de *[19]beweginge in de Stoffe ende het verstaan inde denkende zaak. Deze dan zeggen wij dat en van alle eeuwigheid zijn geweest en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen blijven. Een werk waarlijk soo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde.
1/9,2 Wat dan bezonderlijk aangaat de Beweginge aangezien die eigentlijker tot de verhandeling van de Natuur <behoord> weet als wel hier behoord, gelijk als daar is dat ze <in> van alle Eeuwigheid is geweest en in eeuwigheid onveranderlijk zal blijven, dat z'oneijndig is in haar geslacht, dat ze nog door zig zelfs bestaan noch verstaan kan worden, maar alleen door middel van de Uijtgebreidheid, van deze alle zeg ik, en zullen wij hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wij er dit af, dat ze is een Zone, maaksel, |f.55 of uijtwerksel onmiddelijk van God geschapen.
1/9,3 Het angaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is meede een Zone, maaksel, of onmiddelijk schepzel van God, ook van alle eeuwigheid van hem geschapen en in alle eeuwigheid blijvende onveranderlijk: deze sijne eigenschap is maar een, namenlijk: alles klaar en onderscheiden in alle tijden te verstaan, uijt het welke spruijt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende nalaten te doen 't geen het doet, het welke alhoewel genoegsaam door zig zelfs klaar zijnde 't geen wij hier nu geseijd hebben, zo zullen wij het nogtans hierna in de verhandelinge Van de Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijsen ende daarom hier niet meer daar af zeggen.
Cap.10.
1/10,1|f.56] Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet en kwaad is, zullen wij aldus aanvangen.
Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk en zij dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan; onder welke wij begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben en deze noemen wij Entia Rationis. 1/10,2 Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de ENTIA Rationis of onder de ENTIA Realia behooren. Maar aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buijten twijffel datze onder de ENTIA Rationis moeten geplaatst worde; want nooijt zeid'men dat iets goet is, ten zij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeidmen dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is of [o]ok dat een appel kwaad is in opzigt van een ander die goet of beter is.
Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, bij aldien dat beter of goet in welker opzigt het zodanig genoemt word, niet en was. 1/10,3 Also dan als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen als dat het wel over een komt met de algemene Idea die wij van sodanige |f.57 dingen hebben. En daarom gelijk wij nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wesen een volmaakte wezentheid moet zijn en niet met de algemene, dewijl ze alsdan niet en zouden zijn.
1/10,4 Nopende de bevestinge van 't gene wij nu gezeid hebben, de zaake is bij ons klaar, doch evenwel tot een besluijt van 't geseide, zullen wij deze volgende bewijzen daar nog bijdoen.
Alle dingen die in de NATUUR zijn, die zijn of zaaken of werkingen.
Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog werkingen. ERGO en zijn goet en kwaad niet in de Natuur. Want indien goet <of> en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zij dan hare beschrijvinge hebben.
Maar goet en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de Kwaadheid van Judas) en hebben geen beschrijvinge buijten de wezentheid Judae en Petri, want die is alleen in de natuur en zijn niet buijten haare wezentheid te beschrijven.
Ergo. ut supra volgt, dat goet en kw[a]at geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn.
Het twede DEEL van DE MENSCH.
2/I,1 |f.60 Dewijl wij nu in het eerste deel van God en van de algemeene en oneindige dingen hebben gesprooken, zo zullen wij nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de bezondere en bepaalde dingen komen, doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wij zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan en daarom aanmerken 1. wat de mensch is voor zo veel hij bestaat van eenige wijsen, <aangaan> begreepen in die twee eigenschappen die wij in God hebben aangemerkt. 2/I,2 Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geen zins versta dat de mensch voor zo veel hij uijt geest, [20]ziele, of lichaam bestaat, een selfstandigheid is. Want wij hebben nu |f.61 alvoorens in het begin dezes boeks getoond 1. Dat geene zelfstandigheid beginnen kan; ten 2. Dat de eene zelfstandigheid de ander niet kan voortbrengen en eijndelijk ten 3. Dat geen twee gelijke zelfstandigheeden konnen zijn.
De mensch dan niet geweest hebbende van eeuwigheid bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen selvstandigheid zijn, 2/I,3 zodat alles 't geene hij van denken heeft, zijn alleen maar Wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebben. En wederom alles 't geen hij heeft van gestalte, beweginge, en andere dingen zijn desgelijks van die andere eigenschap die God toegepas[t] is.
|f.622/I,4 En alhoewel eenige hier uijt dat de Natuur van de mensch zonder die eigenschappen die wij zelfs toestaan <zelfstan> zelfstandigheid zijn, niet bestaan noch verstaan kan worden, pogen te bewijsen dat <dat> de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest als valsche onderstellingen. Want dewijle de natuur van de Stoffe of't lichaam geweest heeft, alvoordat de gestalte van dit menschelijk licha[a]m was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan't menschelijk lichaam, dewijl het klaar is dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur vande mensch heeft konnen behoren.
2/I,5 En dat zij voor een grondregul stellen dat Dat aen de natuur van de zaak behoort zonder het welk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wij. Want wij hebben alreeds bewezen Dat zonder God geen ding bestaan noch verstaan kan worden. Dat is God moet alvoorens zijn en verstaan |f.63 worden alleer deze bezondere dingen zijn en verstaan <konnen> worden. Ook hebben wij getoond dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zulke dingen die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul <ken> stellen wij dan daar bij men zal weten, wat aan de natuur van een zaak behoort?
De Regul dan is deze: Dat behoort <tot> aan de natuur van een zaak zonder het welk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze dat de voorstelling altijd wederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijsen dan uijt de welke de mensch bestaat, zullen wij dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen.
Figure 5. KB 75G15 f.63 KB 75G15 f.63
Cap. 1.
2/1,1 |f.64 Om dan aantevangen te spreeken van de *[21]wijsen uijt de welke de mensch bestaat, zo zullen wij zeggen (1) wat zij zijn, (2) ten anderen hare uijt werkingen, en ten 3. haare oorzaak.
1. Belange het eerste zo laat ons beginnen van die die ons het eerste 1bekend zijn: namelijk eenige begrippen of het medegeweten van de kennisse onses zelfs en van die dingen die buijten ons zijn.
2/1,2 Deze *[22]2begrippen dan verkrijgen wij (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding of door hooren zeggen) (2) of ook ten anderen wij bekomen die door een waar geloof (3) of ten derden wij hebben het door klare en onderscheide bevatting.
Het eerste is gemeenlijk dooling onderworpen. Het tweede en derde alschoon die onderling verschillen, zoo en konnen die echter niet doolen. 2/1,3 Doch om |f.65 dit alles wat duijdelijker te verstaan, zo zullen wij een voorbeeld stellen genomen van de regul van drien aldus. (1)Iemand heeft alleenlijk horen zeggen dat als men inde Regul van drien het twede getal met het derde vermenigvuldight en dan met het eerste deild, dat men als dan een vierde getaal uijt vind dat de zelvde gelijkmatigheid heeft met het derde als het twede met het eerste. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorsteld liegen konde, zo heeft hij echter sijne werkingen daar na gericht en dat zonder eenige kennisse meer van den regul van drien gehad te hebben als de blinde van de verwe en heeft alzo alles wat hij daarvan ook zoude mogen gezeijd hebben, daarvan geklapt als de papegaaij van't geen men hem geleert heeft.
Een (2)ander, van gaauwer begrip zijnde, die en laat zich soo niet pajen met hooren zeggen, maar neemt 'er een proef aan eenige bezondere reekeningen en die dan bevin[den]de <weer> daar mede overeen te komen, alsdan geeft hij daar aan't geloof: maar te recht hebben wij gezeijt dat ook deze de dooling onderwurpen is. Want hoe kan hij doch zeeker zijn, datt de ondervinding van eenige bezon|f.66dere hem een regul kan zijn van alle?
Een (3)derde dan noch met het hooren zeggen omdat het bedriegen kan, noch met de ondervinding van eenige bezondere om dat die onmogelijk een regul is, te vreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, de welke nooijt, wel gebruijk[t] zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zeght hem, dat door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo en niet anders heeft konnen zijn en komen.
Doch een (4)vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden dewijle hij door Sijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid en alle de rekeningen ziet.
Cap. 2.
2/2,1 |f.67] Wij zullen dan nu komen te verhandelen de uijtwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wij in 't voorgaande Capittel gezeid hebben en als in 't voorbijgaan weer zeggen wat Waan, geloof en klaare kennisse is. De eerste (1) dan word bij ons genoemt Waan, de tweede 2. geloof maar de 3. die is't die wij een waare Kennisse noemen.
2/2,2 Waan dan noemen wij die omdat ze de dooling onderwurpen is en nooijt plaats heeft in iets daar wij zeker van sijn, maar wel daar van gissen en meijnen gesprooken word.
Geloof dan noemen wij de tweede, om dat die dingen die wij alleen door de rede vatten, van ons niet en worden gezien, maar [zijn] alleen aan ons bekend door overtuijginge in't verstand dat het soo en niet anders moet zijn.
Maar Klaare Kennisse noemen wij dat, 't welk niet en is door overtuijging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve en gaat de andere verre te boven.
2/2,3|f.68] Dit dan vooraf zo laat ons nu koomen tot haare uijtwerkingen. Waarvan wij dit seggen: dat namelijk uijt de eerste hervoorkomt alle3 de lijdinge (passien) die daar streijdig zijn tegen de goede reden. Uijt de tweede de goede Begeerten4 en uijt de derde de waare en oprechte Liefde5 met alle haar uijtspruijtzels.
2/2,4 Alzo6 dat wij dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen. Want wij t'eenemaal onmogelijk achten dat, zo iemand op de voorgaande <gronden> wijsen noch begrijpt noch kent, hij tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere Wijzen van wille zoude konnen bewogen worden.
Cap. 3.
2/3,1 Alhier dan laat ons nu eens zien hoe dat gelijk wij gezeid hebben, de (Passien) Lijdinge uijt de waan komen te ontstaan. En om dit wel <te> en verstaanlijk te doen zo zullen wij eenige vande bezondere der selve voorneemen en daar in dan als in Voorbeelden betonen 't geene wij zeggen.
2/3,2 7Laat dan de Verwondering de eerste zijn de welke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste |f.69 wijze kent, *[23]want dewijl hij van eenige bezondere een besluijt maakt dat algemeen is, zo staat hij als verbaast, wanneer hij iet ziet dat tegen dit sijn besluijt aangaat. Gelijk iemand <verb> noit eenige schapen gezien hebbende als met korte staarten, zig verwonderd over de schapen van Marocquen dieze lang hebben.
Soo zeit men van een Boer die zig zelfs hadde wijs gemaakt datter buijten sijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermissen en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viel in verwondering van dat buijten zijn wijnig velds noch zo groote meenigten van andere velden waren.
2/3,3 En zeeker dit moet ook plaats hebben in veele Philosophen die hun zelfs hebben wijs gemaakt |f.70 dat er buijten dit veldje of aardklootje daar op zij zijn (omdat zij niet anders beschouden) geen andere meer en zijn. Maar nooijt en is verwondering in die geene die ware besluijten maakt, dit's een.
2/3,4 Het tweede8 zal zijn de Liefde: deze aangesien datze ontstaat <uijt> of uijt ware begrippen, off uijt opinien, of ook eindelijk uijt hooren zeggen alleen zullen wij eerst zien, hoe uijt de <opie> opinien, daarna hoe uijt de begrippen: want de eerste strekt tot ons verderf en de tweede tot ons opperste heijl, en dan van het laatste.
2/3,6 Het eerste dan aangaande: 't is zulks dat zo dikwils iemand iet goets ziet off waant te zien, hij altijd geneegen is zig met het selve te vereenigen, en om 't goets wille dat hij in't selve aanmerkt, zoo verkiest hij't als 't beste, buijten het welke hij niet beter noch aangenaamer als dan en kend.
Doch soo wanneer het komt te gebeuren dat hij (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet komt te kennen, zo keerd terstond sijne liefde van het eene eerste tot het ander tweede, het welk wij alles klaarder sullen doen blijken in de verhandelinge van de Vrijheid des menschen.
2/3,7 *[24]Van liefde uijt ware begrippen: alsoo't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wij dat nu hier voorbij |f.71 gaan en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren seggen komt. Deze dan bespeuren wij gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, de welke omdat de Vader dit of dat zeijd goet te zijn, zo zijn zij daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen.
Dit zien wij mede <die> in zulke die voor't Vaderland uijt liefde haar leven laten en ook in die, die door horen zeggen van iets op hetzelve komen te verlieven. 2/3,8 (9) De Haat dan het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uijt die dooling die uijt de opinie voort komt: Want zo iemant een besluijt gemaakt heeft van iets dat het goet is en een ander komt tot nadeel van dat zelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, het welk nooijt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wij dat hier na zullen zeggen, want alles watter ook is off bedagt <kan worden> wort in vergelijkinge van het ware goet, 't is niet als maar de ellendigheid zelve; en is dan zo een ellendbeminner <als haat waardig> niet veel eer erbarmens als haat waardig?
De haat dan eijndelijk komt ook voort uijt hooren |f.72 zeggen alleen, gelijk wij dat <dien> zien in de Turken tegen Joden en Christenen, Inde Joden tegen de Turken en Christenen, inde Christenen tegen de Joden en Turken etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d'anders godsdienst en zeden.
2/3,9 (10)De Begeerte: het zij datze bestaat of alleen zo een[ige] willen, in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of zo andere willen[25]* in de dingen te behouden die wij nu alreeds genieten: 't is zeeker datze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet, 2/3,10 alsoo dan is 't klaar, dat Begeerte gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uijt de eerste manier van kennen voortkomt. Want <ni>jemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt lust en trek tot het selve, gelijk gezien word in een zieke die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt.
|f.73 Begeerte komt ook uijt bevindinge gelijk datt gezien word in de <pr..ktij.> practijk van de doctors die seeker remedie eenmaalen goet gevonden hebbende, het zelve als een onfeijlbaar dink gewoon zijn te houden.
2/3,11 Alles 't geene wij nu van deze gezeijt hebben, 't zelve kanmen van alle andere passien seggen gelijk dat voor ieder een klaar is.
En dan omdat wij in 't volgende zullen <han> aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons Redelijk en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wij het dan hier bij latende, niet meer daar toe zeggen.
Cap. 4
2/4,1 |f.74 Dewijl wij dan in het voorige Cap. hebben getoont hoe uijt de dooling van de Waan de Passien voortkomen, soo laat ons dan hier eens zien de uijtwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van die welke wij Het Waare [26]Geloof genoemt hebben.
Figure 6. KB 75G15 f.74 KB 75G15 f.74
2/4,2 Deze12 dan vertoond ons wel wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zij waarlijk is. En dat is de reeden waarom zij ons nooijt en kan doen vereenigen met de geloofde zaak. |f.75 Ik zeg dan, dat zij ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zij is, in welke twe een groot onderscheid is. Want gelijk wij in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uijt vinden een vierde getal dat met het derd overeenkomt gelijk het tweede met het eerste, soo kan hij (de deilinge en vermeenigvuldiging gebruijkt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn en dit zo al zijnde, spreekt hij niet de min daar af als <de> van een zaak die buijten hem is. Maar als hij de gelijkmatigheid komt te *[27]beschouwen zo als wij in het derde exempel getoond hebben, als dan zegt hij in waarheid, dat de zaak zodanig is, aang[e]zien die alsdan in hem en niet buijten hem is. Dit's van de eerste.
2/4,3 De tweede uijtwerkinge van't ware geloof is, dat ze ons13 brengt tot een klaar verstand door 't welk wij God liefhebben en ons alsoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buijten ons zijn. 2/4,4 De *derde uijtwerkinge is, datze aan ons14 verschaft de kennisse van goet en kwaad en ons aanwijst alle passien, die te <...> vernietigen zijn <te vernietigen>. En om dat wij nu te vooren gezeid hebben dat die passien |f.76] die uijt de Waan voortkoomen, groot kwaad onderworpen zijn, zo is't de pijne waart eens te zien, hoe de selve ook door deze tweede kennisse gezift worden om te zien wat in de zelve goet, wat kwaad is.
Om dit dan mede bekwamelijk te doen, so laat ons de zelve maniere als vooren gebruijkende, de selve eens van nabij bezien om daardoor te konnen kennen, welke het zijn die van ons verkooren, welke verworpen moeten worden.
Doch eer wij daar toe komen, laat ons eens kort voor af zeggen wat daar is het Kwaad des menschen. 2/4,5 Wij hebben nu te vooren al gezeijd, dat alle dingen genoodschikt zijn en dat[28] In de Natuur geen goet en geen Kwaad is. Zo dat al't geen dat wij van de mensch willen, dat zal moeten van het geslacht des zelfs zijn, het welk niet anders is als een Wezen van reden. *[29]En wanneer wij dan een Idea van een 15volmaakt mensch in ons verstand bevat hebben, dat zoude dan konnen16 een oorzaak zijn om zien (als wij ons zelfs onderzoeken) offer in ons ook eenig middel is om tot zo een volmaaktheid komen.
2/4,6 En daarom17 dan alles wat ons tot die volmaaktheid |f.77 voorderd, dat zullen wij goet noemen en in tegendeel al dat verhinderd off ook daartoe niet en vordert, kwaad.17 2/4,7 Ik moet dan zeg ik een volmaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande het goet en kwaat des menschen verhaalen wil en dat daarom, omdat ik handelende van 't goet en kwaad, als E.g. Van Adam, ik als dan een dadelijk wezen (ens reale) met een <dade> wezen van Reden (ens Rationis) verwarren zoude, het welk wel 18naauwkeurig van een regtschapen Philosooph moet gemijd worden en dat om redenen die wij in't vervolg deses off bij andere gelegentheden sullen stellen.
2/4,8 Voorder om dat het eijnd van Adam of van eenig ander bijzonder schepzel ons niet bewust is als door de uijtkomst, zo dat ook 't geen wij van't eijnd des menschen konnen zeggen, *[30]gegrond moet zijn op het begrip van een volmaakt mensch in ons verstand, welkers eijnd dewijl het eens Ens Rationis is, wij wel konnen weten: en ook als gezeijt is, sijn goet en kwaad, al het welke maar wijsen zijn van denken.
2/4,9 Om dan nu allengskens ter zaak te komen: wij hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uijt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan en het selve |f.78 begrip hebben wij in vierderlij [deelen] verdeeld als in horen zeggen alleen, in ervarentheid, in geloov, in klare kennisse. En aangezien wij nu de uijtwerkinge deser aller hebben gezien, zo is daaruijt openbaar, dat de vierde namelijk19 de klare kennisse, de aldervolmaakste is van alle. Want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen die waarlijk beminnens waardig zijn, opwekkende. Zodat dan het laatste eijnde dat wij zoeken en het voornaamste dat wij kennen, is de waare kennisse. 2/4,10 Doch20 ook deze ware kennisse is na de voorwerpen die haar voorkomen, ook verscheiden. Soo dat hoe veel beter daar is het voorwerp met het welke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. 21En daarom dat is de volmaaktste mensch, de welke met God (die het aldervolmaaktste wezen is) vereenigt en hem zo geniet.
2/4,11 Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die als gezeid is, bezonder voorneemen. Ende22 vooreerst van de Verwondering. Deze dan, dewijl die off uijt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaakt|f.79heid, omdat de verwondering door zig zelfs niet tot eenig kwaad brengt.
Cap. 5
2/5,1 <Wa>De Lievde die niet anders is, als een zaak te genieten en daar mede vereenigt te worden, die zullen wij verdeelen na de hoedanigheeden van haar <voorP> voorwerp: welk voorwerp de mensch zoekt te genieten en daarmede te vereenigen. 2/5,2 Sommige24 voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk; andere25 wel niet <door> vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk.
De vergankelijke dan zijn alle de bijzondere dingen die niet van alle tijd geweest zijn of begin genoomen hebben.
De andere dat zij[n] alle die wijzen die wij gezeid hebben, oorzaak te zijn van de bezondere wijsen.
Maar de derde is God off 't welk wij voor een en't zelfde neemen, de Waarhe[i]d.
2/5,3 De Liefde dan ontstaat uijt het begrip en kennisse die wij van een zaake hebben ende na dat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook |f.80 de liefde groter en groter in ons.
2/5,4 Op tweder lij wijzen isser macht om ons van de liefde te ontslaan: of door kennisse van een beter zaak, of door ondervinding dat de beminde zaak die voor wat groots ende heerlijke gehouden is, veel onheil en ramp met zig sleept.
2/5,5 Met de liefde is 't ook soodanig, dat wij nooijt en trachten van dezelve (gelijk van de verwondering en andere passien) verlost te zijn; en dat om dese twee redenen: 1. omdat het onmogelijk is, de twede omdat het noodzaakelijk is, dat wij niet van de selve verlost werden.
Onmogelijk dan is't omdat het niet van ons afhangd, maar alleen van het goet en <kwaad> nut, dat wij in het *[31]voorwerp aanmerken, het welke soo wij't niet en wilden beminnen, noodzaakelijk van ons te vooren niet en most gekend <wezen> zijn, het welk niet in onse vrijheid bestaat of an ons hangt, want zo wij niets kenden, voorzeeker wij en waaren ook niet.
Noodzaakelijk dan ist niet van de zelve verlost te |f.81 zijn omdat wij vermids de swakheid onses natuurs, zonder iets te genieten waar mede wij vereenigt worden en versterkt, niet en zouden konnen bestaan. 2/5,6 Welke dan van deze drie'erlij voorwerpen hebben wij te verkiezen of te verwerpen?
Wat27 de <... vergankelijke> vergankelijke aangaat (de wijle wij als gezeid is, om de swakheid onser natuur noodzakelijk iet moeten beminnen en daar mede vereenigen om te bestaan), het is zeker dat wij door't beminnen en28 vereenigen met de zelve geen zins in onse natuur versterkt en werden, aangezien zij zelve swak zijn en d'eene kreupele d'ander niet kan draagen: En niet alleen dat ze ons niet en vorderen, maar sijn ook zelfs ons29 schadelijk.
Want wij hebben gezeid de Liefde te wezen een vereeniginge met het voorwerp dat ons verstand oordeeld heerlijk en goet te zijn; en daar bij verstaan wij zo een vereeniginge, door de welke en de liefde en het geliefde een en de <zev> zelvde zaak komen te zijn of t'zamen een geheel maaken. Soo is hij dan immers wel ellendig, die met eenige vergankelijke|f.82 dingen vereenigt word. Want deze dewijlze buijten sijne macht zijn en <zo> veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat als die komen te lijden, hij daarvan soude konnen bevrijd zijn. En zo bijgevolg besluijten wij: Bij aldien deze, die de vergankelijke dingen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo Ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de Eere, Rijkdommen, en wellusten die alheel geen wezentheid hebben, beminnen ellendig zijn.
2/5,7 Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de 30Reden aanwijst om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door't geene wij nu geseijd hebben, woort ons klaar aangewezen het vergif en het kwaad dat in de beminninge deser dingen steekt en verborgen is. Doch noch onvergelijkelijk klaarder zien wij dit als wij aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wij door de genietinge deses worden afgescheiden. 2/5,8 Hier voor hebben wij gezeid dat de dingen die ver|f.83gankelijk zijn, buijten onze macht zijn. Op datmen ons wel verstaa, wij en willen niet zeggen, dat wij eenige vrije oorzaak zouden zijn van niets anders afhangende: maar als wij zeggen dat eenige dingen in, andere buijten onse macht zijn, zo verstaan wij door die welke in onse macht zijn, zulke die wij uijtwerken door ordre of te zamen met de Natuur waar van wij een deel zijn: door die welke niet in onse macht zijn zulke <die niet in onse macht zijn> die gelijk als buijten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderworpen zijn, aangezien zij zeer verre van onse dadelijke wezentheid door de Natuur zoodanig gesteld, af zijn.
2/5,9 Vervolgende dan zo zullen wij nu komen tot de twede maniere van <werp> voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onvergankelijk <door haar vergank> zoo zijn zij nogtans niet soodanig door haar eigen kragt. Edoch31 een wijnig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wij terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar wijsen alleen, die onmiddelijk van God afhangen. En dewijle de natuur deser sodanig is, zo en zijn zij voor ons niet om te begrijpen, tenzij wij met eenen een begrip van God hebben. In welke omdat hij volmaakt is, noodzaakelijk onze Lievde |f.84 moet rusten. En om met een woort te seggen, het zal ons onmogelijk zijn, dat als wij ons verstand wel gebruijken, wij souden konnen nalaten God te beminnen.
2/5,10 De Reedenen waarom zijn klaar: Vooreerst omdat wij ondervinden, dat God alleen maar weezen heeft en alle andere dingen geen wezens, maar wijsen zijn. Ende aangezien de wijsen niet recht konnen verstaan worden zonder het wezen van't welke zij onmiddelijk afhangen en wij nu al vooren getoond hebben dat als wij iets beminnende, een beter zaak als die wij dan beminnen, komen te kennen, wij altijd ter stond op dezelve vallen en de eerste verlaten; Zo volgt onwedersprekelijk, dat als wij God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wij hem noodzakelijk moeten beminnen.
2/5,11 |f.85 (2)*[32]Ten tweeden, als wij ons verstand wel gebruijken inde kennisse van zaken, so moeten wij die dan kennen in haar oorzaaken: Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, soo is dan de kennisse Gods en zij staat voor (ex rerum natura) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van alle andere dingen: dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uijt de kennisse van <dat de saake heerlijk is en goet> de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uijt kennisse van dat de Saake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijker zal konnen uijtstorten als op den Here onse32 God? Want hij is alleen heerlijk en een volmaakt goed.
2/5,12 Zo zien wij dan nu, hoe wij de liefde krachtig maaken en ook, hoe de zelve alleen in God moet rusten. Het gene wij dan van de liefde noch meer hadden te zeggen, dat zullen wij trachten te doen als wij handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wij nu onder|f.86zoeken gelijk wij hier voor hebben toegeseid, aangaande welke van de passien wij hebben aan te neemen, welke wij hebben te verwerpen.
Cap. 6
2/6,1 De Haat is een Neiging<ging>e, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wij onze werkinge op tweederleij wijse komen te bedrijven, of namelijk met of sonder passien? Met passien, gelijk men gemeen ziet aan de Heeren tegen haare Knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet sonder toorne en geschied.
Zonder passien, gelijkmen segt van Socrates, die als hij was genoodzaakt sijn knecht tot betering te castijden, sulks als dan niet en heeft gedaan, zo wanneer hij ondervond in zijn gemoed tegen deze sijne knecht ontsteld te zijn.
2/6,2 Dewijl wij nu dan zien, dat onse werken van ons of |f.87 met, of zonder Passien gedaan worden, zo 33achten wij dat het klaar is dat sulke dingen die ons hinderen of gehindert hebben, sonder onse ontsteltenisse als 't nodig is, konnen weg gedaan werden en daerom, wat is beter, of dat wij de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wij dezelve door kracht van reden zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wij dat wezen kan) ondergaan? Voor eerst is 't zeeker, dat als wij de dingen die ons te doen staan, sonder passien doen, daeruijt als dan geen kwaad en kan komen.
En also tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wij, dat zoo't kwaad is met passie te werken, dat het dan goet moet zijn 34zonder die te werken.
2/6,3 Doch offer eenig kwaad in is geleegen de saake met een haat en affker te vlieden, laat ons het zelve eens bezien.
Wat de haat belangt die uijt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen |f.88 plaats hebben. Dewijl wij weten dat een de zelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruijden altijd zo is. Het komt dan eijndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duijdelijk te verklaren, wat de haat is en die wel van de afkerigheijd te onderscheiden.
2/6,4 De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een saak ontstaande uijt ongemak of leed, het welk wij of verstaan of waanen van natuure in de zelve te zijn. Ik zeg van natuuren, want als wij het zo niet en waanen, zo zijn wij alschoon wij eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van de zelve niet afkeerig, omdat wij integendeel eenig nut van de zelve hebben te verwagten. |f.89 Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van't zelve geen afkerigheid heeft.
2/6,5 Dit dan aldus aangemerkt, soo laat ons eens kortelijk zien de uijtwerking van deze beijde. Van de haat dan komt hervoort droefheid36 en de haat groot zijnde, zo werktse uijt Toornigheid, de welke niet alleen als de haat tracht te vlieden van 't gehatene, maar ook het zelve te vernietigen zo het doenlijk is: uijt deze groote Haat komt ook voort de Nijt.
Maar van de 37afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wij ons trachten te beroven van iets 't welk wezentlijk zijnde, zo ook altijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet.
2/6,6 Uijt dit gezeide kan dan ligtelijk werden verstaan, dat wij onse redenen wel gebruijkende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewijl wij ons zodoende van de volmaaktheid die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wij ook door de reeden, dat wij heel geen |f.90 haat ooijt tegen iemand en konnen hebben om dat alles wat in de Natuur is, indien wij iet daar van willen, wij het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de Saake zelve.
2/6,7 En omdat een volmaakt mensch het alder beste is, dat wij tegen woordig of voor onse oogen hebbende kennen, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in't bezonder verre het beste dat wij hun t'allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want als dan eerst konnen <zij> wij van haar en zij van ons de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is haar geduurig waar te neemen zodanig als wij van onse goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden. Want deze ons nooijt tot ons verderf maar altijd tot ons heil aanport. 2/6,8 Tot een besluijt zeggen wij, dat de Haat en afkeer in haar hebben zo veel onvolmaaktheeden, als in het tegendeel de Lievde volmaaktheeden heeft. Want deze werkt altijd verbetering, versterking en vermeerdering, het welk de volmaaktheid is: daar de Haat integendeel altijd uijt is op verwoesting, verswakking en vernietiging, het welke de onvolmaaktheid zelve is.
Figure 7. KB 75G15 f.91 KB 75G15 f.91
Cap. 7
2/7,1 |f.91 Gezien hebbende hoe dat de Haat en de Verwondering zodanig is, dat wij vrijelijk mogen zeggen, dat de zelve nooijt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruijken soo't behoort. Zo zullen wij dan op de zelfde wijze voortgaan en spreeken van de andere passien. Om dan aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de begeerte en de Blijschap. Deze aangezien sij ontstaan uijt de zelve oorzaaken, uijt welke de liefde voortkomt, soo en hebben wij van deze niet anders te zeggen als dat wij ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wij als doen maal zeijden, waar bij wij het hier dan laten.
2/7,2 Bij deze zullen wij voegen de Droevheid, van de welke wij derven seggen dat ze ontstaat alleen uijt de opinien en waan uijt de zelve: Want zij komt voort van't verlies van eenig goed. Nu te vooren hebben wij gezeid, dat alles wat wij doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wij bedroevt zijn, wij ons zelven onbekwaam maaken tot zulks te doen. Der halven is nodig dat wij ons van |f.92 de selve ontslaan. 't Welk wij doen konnen met te denken op <d> middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onse macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijd te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met sig sleept: en dit beijde met blijdschap. Want't is zottelijk een verlooren goe<d>t door een zelfs begeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren.
2/7,3 Eijndelijk, die sijn verstand wel gebruijkt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God als wij bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo. Zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die sijn verstand wel gebruijkt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? Hij rust in dat goet, dat alle goet is en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der volheid is. Uijt waan dan of onverstand komt de droevheid als gezeid is, voort.
Cap. 8
2/8,1 |f.93 Nu vervolgens dan zullen wij spreeken van de achting en versmading, van de Edelmoedigheid en Nedrigheid, van Verwaantheid en van de Strafbare Needrigheid; Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zullen wij die voor voets opneemen.
2/8,2 De Achting en Versmading dan zijn maar in opzicht van iets groots off kleins als dat wij eenige zaake kennen, het zij dit groots of kleins in ons of buijten ons is.
2/8,3 De Edelmoedigheid strekt zig niet uijt buijten ons en werd alleen toegepast zo eenen, die na de regte waarde zonder passien noch gemerk op de achting sijns zelvs te hebben, sijne volmaaktheid kend.
2/8,4 De Nedrigheid is als iemand sijne onvolmaaktheid zonder gemerk te hebben op de verachting sijns zelfs, kend; strekkende de Nedrigheid niet uijt buijten den nedriegen mensch.
2/8,5 De Verwaantheid is als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige volmaaktheid die <aan hem> niet <behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden, die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn.> in hem te vinden is. 2/8,6 |f.94 De Strafbare Nedrigheid is, als iemand an zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de geveijsde, die om andere te bedriegen zonder te meenen haar verneederen: maar van zulke die de onvolmaaktheden die zij hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn. 2/8,7 Dit dan aldus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daar uijt genoegzaam wat voor goet en kwaad ieder van deze passien in zich heeft. Want wat belangt de Edelmoedigheid en Nedrigheid, deze geven door hun zelfs haar voortreffelijkheid te kennen. Want wij zeggen dat den bezitter des zelfs sijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend. Het welk het voornaamste is zo ons de reeden leerd, waardoor wij tot onse volmaaktheid geraaken. Want wij te recht onse macht en volmaaktheid kennende, zo zien wij daardoor klaarlijk wat het is dat ons te doen staat om tot ons goet einde te geraaken. En wederom, als wij ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wij wat ons te vermijden staat.
2/8,8 Wat de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid angaat, de beschrijving des zelfs geeft ook te kennen dat zij <ontstaat> ontstaan uijt zekere waan. Want wij zeiden dat zij toegepast word aan sulk een, dewelke eenige volmaaktheid |f.95 die aan hem niet behoord, nochtans zig zelfs toeschrijft. En de Strafbare nedrigheid het reghte tegendeel.
2/8,9 Uijt dit gezeide dan blijkt dat zo goet en heijlzaam als daar is de Edelmoedigheid en ware nedrigheid, dat daar en tegen de verwaantheid en strafbare nedrigheid ook zo kwaad en verdervende is. Want geene en steld niet alleen den bezitter in een zeer goede stant, maar ook daar bij is zij de rechte trap door de welke wij opklimmen tot ons opperste heijl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onse volmaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare nedrigheid is't die ons belet te doen 't geene wij anders mosten doen om volmaakt te werden: gelijk wij dat zien inde Twijffelaars (Scepticis) die door dien zij loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is't die ons doet dingen ter hand neemen, die regelregt tegen ons verderf strekken gelijk men ziet in alle die die gewaant hebben en wanen, me<n>[t] God wonder wel te staan, en door de selve vuur en water braveren en so vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende alles getroost zijnde. 2/8,10 |f.96 De Achting belangende en Verachting. Van deze is niet meer te zeggen als ons wel indachtig te maaken het geene wij hier te vooren van de Liefde gezeid hebben.
Cap. 9
2/9,1 Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankelmoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghijver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaertheid zullen wij nu aanvangen te spreeken en een voor een na onse gewoonte voorneemen. En dan welke van dese ons hinderlijk, welke ons vorderlijk konnen zijn, aanwijsen.
Al het welke wij zeer licht zullen konnen doen, indien wij maar wel op merken op de begrippen, die wij konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is.
2/9,2 De begrippen die wij ten opzigt van de saak zelve hebben, zijn of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen; of dat ze noodzakelijk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve.
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hij iets moet zijn om te bevorderen dat de zake komt, of om de zelve te beletten.
2/9,3 Uijt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten aldus. |f.97 Zo wij een zaake die toekomende is begrijpen goet te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daar uijt krijgt de ziele zo een gestalte die wij hope noemen. De welke niet anders is [als een zekere zlag van blijdschap, gemengt nochtans met eenige droefheid.
En wederom als wij de mogelijk komende Saake oordelen kwaad te zijn, daar uijt komt de gestalte in onse ziele, die wij vreze noemen.
Dog als de zaake van ons begreepen word goet en daar bij noodzakelijk te zullen komen, daarvan dan komt in de ziele die gerustheid die wij noemen verzekerdheid, het welk een seekere blijdschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope.
Dog indien wij de zaake begrijpen kwaad te zijn en noodzaakelijk te zullen komen, hier van daan komt in de ziele wanhoop, de welke niet anders is als een seekere slach van droefheid.
2/9,4 Tot hier toe dan van de passien in dit kapittel vervat, gesprooken hebbende en de beschrijvinge derzelver gemaakt op een bevestigende wijze en alzo gezeid wat een ieder deszelfs is. Zoo konnen wij ook de zelve omkerende, beschrijven op een ontkennende wijse |f.98 namentlijk aldus: Wij hoopen dat het kwaad niet en zal komen, wij vreezen dat het <kwaad> goet niet en zal komen <wij vre... dat het kwaad niet en zal komen> wij zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komen, wij wanhoopen dat het goed niet en zal komen.
2/9,5 Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel die komen uijt de begrippen ten opzigt van de zaake selve.
Nu hebben wij te spreken van die de welke ontstaan uijt de begrippen ten opzigt van die de zaake begrijpt, te weten:
Als men iet moet doen om de zake voort te brengen en wij daaraf geen besluijten maaken, zo krijgt de ziel een gestalte die wij wankelmoedigheid noemen: Maar als zij tot het voortbrengen van de zaake mannelijk besluijt en die voortbrengelijk is, als dan word het moed genoemd. En die zaake beswaarlijk om voort te brengen zijnde, zo word het kloekmoedigheid genoemd of dapperheid. Doch als iemand een zaake besluijt te doen, omdat het een ander (hem voorgedaan hebbende) wel gelukt is, soo noemt men het volgijver.
Als iemand weet wat besluijt hij moet maaken om een goede zaake te bevorderen en een kwade te beletten, |f.99 sulks nogtans niet en doet, dan zo noemt men het flaaumoedigheid. En de zelve heel groot zijnde, noemt het vervaartheid. Eijndelijk de belgzugt of <jalouzij Jalousia> Jalousie is een sorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is, alleen te mogen genieten en behouden.
2/9,6 Dewijl ons dan nu bekend zijn waaruijt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel lichtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn.
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zij uijt een kwaade opinie ontstaan. Want gelijk wij nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzakelijke oorzaaken en moeten zodanig als zij geschieden, noodzakelijk geschieden. En alhoewel de 37Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken (dewijle daar alles onverbrekelijk en onvrikbaar is) plaatse scheijnd te hebben, zo is't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want verzekerdheid en wanhoop zijn nooijt, ten zij zij als vooren <(want van deze hebben zij haar zijn)> Hoop en Vrees (want van deze hebben zij haar zijn) geweest hebben. Als |f.100 bij exempel, als iemand het gene hij nog te verwagten heeft, goet <waant> waant te zijn, zo krijgt hij die gestalte in zijn ziele die wij Hoope noemen: en van dat gewaande goet verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wij verzekerdheid noemen. Het gene wij dan nu van de verzekerdheid zeggen, het zelve moet ook van wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wij van de Liefde gesegt hebben, zoo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: Dewijle zij dingen vooronderstellen die wij door haar veranderlijke aard (gelijk in de beschrijving van de Liefde is aangemerk[t]) welke zij onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; Nog ook van de welke (als in de beschrijvinge van de haat getoond is) wij moeten afkerig zijn: Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd.
2/9,7 Wat38 de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaardheid belangen, door haar eigen [aardt en] natuur geven zij hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zij t'onsen voordeel doen komt niet uijt de werkinge |f.101 van haar Natuur als negative, e.g. iemand die iets hoopt dat hij waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is en nogtans door sijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uijtvoeringe vereischt komt te gebreeken, soo is't dat hij van dat kwaad 't welk hij waande goet te zijn, negative of bij geval bevrijd word.
Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware reeden geleid word, plaats hebben.
2/9,8 Eijndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgijver, van de zelve en is niet anders te zeggen als 't geene wij van de Liefde en Haat nu al gezeit hebben.
Cap. 10
2/10,1 Van de knaging en het berouw zullen wij voor tegen woordig doch kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooijt als door verrassing; want de knaging komt alleen hier uijt: dat wij iets doen van't welk wij dan twijffelen of het goet is of het kwaad is ende het berouw hier uijt, dat wij iets gedaan hebben dat kwaad is. 2/10,2 En om dat veel menschen (die haar verstand wel gebruijken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid die vereischt werd om het verstand altijd wel te gebruijken ontbreekt) afdwaalen: zo zoude men misschien mogen denken, dat haar |f.102 deze Knaging en Berouw verder soude te rechte brengen en dan daaruijt besluijten, gelijk soo de geheele wereld doet, datze goet zijn. Doch zo wij de zelve te regt willen inzien, wij zullen bevinden dat ze niet alleen niet goet en zijn, 39nemaar in het tegendeel datze schadelijk en dienvolgende dat ze kwaad zijn: Want het is openbaar, dat wij altijd meer door de Reeden en liefde tot de waarheid als door knaging en berouw te rechte komen. Schadelijk zijn zij dan en kwaad, want zij zijn een zeeker slag van droefheid de welke van ons nu te vooren bewezen is schadelijk te zijn en die wij derhalven daarom als kwaad moeten trachten van ons af te weren, gelijk wij dan dienvolgende ook dese als zodanig moeten schuwen en vlieden
Cap. 11
2/11,1 De bespotting en Boerterije steunen op een valsche waan en geven in de bespotter en Boerter te kennen een onvolmaaktheid. Op een valsche waan is't dat zij steunen, omdat men meind dat den geenen die bespot word, de eerste oorzaak is van sijne werken en datze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zij een onvolmaaktheid te kennen. Want of het geene zij bespotten is zodanig, dat het bespotte|f.103lijk is, of het is niet zoodanig. Indien niet zodanig <zo betonen zij> zo betonen zij een kwaden aard, bespottende het geene niet te bespotten is. Indien Ja zodanig, zo betonen zij daarmede in die geene die zij bespotten eenige onvolmaaktheid te kennen, de welke zij niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren.
2/11,2 Het <Laghen> Lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een seeker slach van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen als van de Blijdschap nu al gezeijd is. Ik spreek van sulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daar toe anport en geenzins van sulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten. Van het selve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad <zijn> eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buijten ons oogmerk.
2/11,3 Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn als ons eens te erinneren 't geene wij al voorens van de haat gezeijt hebben.
Cap. 12
2/12,1 |f.104 Van de Eere, Beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wij nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een seeker slach van Blijdschap die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hij gewaar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zij beoogen.
Beschaamtheid is zeekere droevheid die in jemand ontstaat als hij komt te zien, dat zijn doen bij andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zij beoogen.
De onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uijtschudding van schaamte, niet door de Reeden; maar of door onkunde van schaamte gelijk in de kinderen, wilde menschen etc. of doordien men in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt. 2/12,2 Kennende nu dan deze togten, zo kennen wij ook meteen de ijdelheid en onvolmaaktheid die zij in haar hebben. Want de Eere en Schaamte en zijn niet alleen niet vorderlijk volgens het geene wij in hare beschrijvinge hebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zij op eigen |f.105 liefde en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk en dienvolgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zij schadelijk en verwerpelijk. 2/12,3 Dog ik wil niet zeggen, dat men zo bij de menschen moet leven, als men buijten haar daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude. Ne maar in tegendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vrijstaan te gebruijken, als wij die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkortinge van onse (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vrijheid. Als bij Exempel zo iemand zig kostelijk kleed om daardoor geacht te zijn, deze zoekt een Eere die uijt de liefde sijns zelfs hervoorkomt zonder enige opzigt op sijn even mensch te hebben; maar zo iemand sijn wijsheid (daar door hij aan sijn eeven naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten en met de voet treden, omdat hij een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hij (uijt beweging om haar te helpen) zich met een kleed daar aan zij haar niet en stooten, verziet, wordende also om sijn even mensch te winnen, sijn even mensch gelijk.
2/12,4 Wat voorder de onbeschaamtheid belangt deze die toont zich zelvs aan ons zodanig, dat wij om haare mismaaktheid te zien, alleen maar haare beschrijving van noden hebben en't zal ons genoeg zijn.
[Cap. 13]
2/13,1 |f.106 Zo volgt nu van de Gunste, Dankbaarheid en ondankbaarheid. Wat de twee eerste aangaan, zij zijn die nijginge die de ziele heeft van sijn evennaasten eenig goet te gunnen en te doen: Te gunnen zeg ik, als aan hem die eenig goet gedaan heeft, weder goed gedaan wordt; Te doen zeg ik, als wij zelve eenig goet verkregen of ontfangen hebben.
2/13,2 Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze tochten goet te zijn, doch niet tegenstaande dat, zo derf ik zeggen datze in een volmaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een volmaakt mensch woord maar alleen door de noodzakelijkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen om sijn even mensch te helpen en daarom vind hij zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verpligt als hij ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.
2/13,3 De ondankbaarheid is een verachtinge van de dankbaarheid, gelijk de onbeschaamtheid van de schaamte en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid of een al te groote liefde tot zich zelfs; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.
[Cap. 14]
2/14,1 |f.107 Het Beklagh dan zal zijn het laatste, waar van wij inde verhandelinge der passien zullen spreken en met het welk wij zullen eijndigen. Beklag dan is zeeker slag van droevheid uijt overweginge van eenig goet dat wij verlooren hebben ontstaande en dat zodanig datter geen hoope is het zelve zo weder te hebben. Zij geevt ons haar onvolmaaktheid also te kennen, dat wij haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wij nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons lichtelijk of ooijt konnen komen te gebreeken en die wij niet en konnen hebben als wij willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wij die te schuwen, gelijk wij sulx voor dezen van de droefheid handelende, hebben aangemerkt.
2/14,2 Soo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het *Waare Geloov of de reeden dat geene is, het welk ons tot de kennisse van't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wij zullen betoonen, dat de eerste en voornaamste oorzaak aller deser tochten is de Kennisse, zo zal klaarlijk blijken, dat wij ons verstand en Reeden wel gebruijkende, nooijt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. |f.108 Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meijne, dat de reeden alleen maghtig is ons van alle deze te bevrijden: gelijk wij dan zulks hier na op sijn plaatze ook zullen bewijsen.
2/14,3 Doch als een voortreffelijke zaake hebben wij nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wij zien en bevinden dat alle die passien welke goet zijn, van zoodanig een aard en natuur zijn, dat wij zonder de zelve niet en konnen zijn noch bestaan en gelijk als wezentlijk tot ons behoren: Als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aande liefde eigen is. Maar geheel anders is't geleegen met die de welke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wij zonder de selve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wij behooren te zijn, als wij ons van de zelve hebben vrij gemaakt.
2/14,4 Om dan noch meer klaarheid in alle deze te geven diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is de Lievde vallende op seker voorwerp: want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp het welk alleen waardig is bemind te worden, namenlijk God gelijk wij alvoorens gezeid hebben, maar die dingen die |f.109 door eigen aart en natuur vergankelijk zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onderworpen is) de haat, droefheid, enz. na veranderinge van het geliefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ontneemt. Droefheid, als hij het komt te verliezen. Eere, als hij op Liefde sijns zelfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hij zijn even mensch niet en bemind om Godt. Doch in tegendeel van alle deze zo 47wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijvt, zo is't hem onmogelijk in deze poel van Passien te vervalien. En daar om zo stellen wij voor een vaste en onvrikbare regul, 48dat God is de eerste en eenige oorzaak van al ons goet en een vrijmaaker van al ons kwaad.
2/14,5 Zoo49 komt mede in aanmerkinge, dat alleen de Liefde, enz. onbepaald zijn: namentlijk hoe die meer en meer toeneemt, hoe die ook alsdan voortreffelijker word: Aangezien die is vallende op een voorwerp dat oneijndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, het welk in geene andere zaake als alleen in deze en kan plaatze <hebben> grijpen. En dit zal ons misschien hier na een |f.110 stoffe zijn waaruijt wij de onsterffelijkheid van de ziel zullen bewijzen <of> en hoe off op wat wijze die zijn kan.[33]
CAP. XV
2/15,1 Nu dan laat ons eens zien van het Waare en Valsche, het welk ons de vierde en laatste uijtwerkinge van dit waare gelov aanwijst. Om dit dan te doen, zo zullen wij eerst de beschrijvinge van Waarheid en Valsheid stellen: Waarheid dan is een bevest<in>[igin]ge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en Valsheid een Bevestin<ge>ging (of ontkenninge) van de zaake, die niet met de zaake zelve overeenkomt. 2/15,2 50Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte dewijle dit of dat te <denken> ontkennen ware wijze van denken zijn en geen ander onderscheid hebben als dat de eene met de zaak overeenkomt en de ander niet, datze dan ook niet dadelijk, 51maar alleen door reeden verschillen en als dit dan dus zoude zijn, kondemen met recht |f.111 vraagen, 52wat voordeel doch d'eene met zijn waarheid en <de andere met> wat schade doch d'ander <met> door zijn valsheid heeft? En 53hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of Idea meer met de zaak overeenkomt als de ander. Eeijndelijk van waar het komt dat de eene doold en de ander niet? 2/15,3 Waar op vooreerst tot antwoord diend, dat de alder klaarste dingen en zig zelfs en ook de valsheijd te kennen geven in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen: Want dewijle zij gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen door de welke zij zouden konnen verklaart werden, zodat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs en ook de valsheid openbaard. Want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook de valsheid door de zelve klaar is: maar nooijt woord de valsheid door zig zelfs geopenbaard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid |f.112 heeft en kan niet twijffelen dat hij ze heeft. Dog iemand die in valsheid of in doling steekt, die kan wel waanen dat hij in waarheid staat; gelijk als iemant die droomt, wel denken kan dat hij waakt, maar nooijt kan iemand die nu waakt, denken dat hij droomt. Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard het geene wij gezeid hebben, van dat God de waarheid of dat de waarheid God zelve is.
2/15,4 Nu de oorzaak, waarom de eene van sijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt en dienvolgende meer wezentheid heeft. 2/15,5 Om dit beter te begrijpen diend aangemerkt dat het Verstaan (schoon het woord anders luijd) is een suijvere of pure Lijding; dat is dat onse ziel in dier voegen veranderd word, datze andere wijze van denken krijgt, die zij te vooren niet en hadde: Als nu iemand door dien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat |f.113 die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoedanigheid van het voorwerp bekomt als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft en zo tot zulks of te bevestigen of te ontkennen door een ander lichter werking (als door wijnige of minder toevoeginge in't zelve gewaar wordende) bewogen <heeft> wordt. 2/15,6 Hier uijt ziet men dan de volmaaktheid van een die in Waarheid staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichtelijk, de ander niet lichtelijk verandert, zo volgt daaruijt dan dat de eene meer bestandigheid en wezentheid heeft als de ander: En zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad hebben, zo hebben zij ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: En dewijl zij geheel met de zaak overeenkomen, zo is't onmogelijk dat zij in eenige tijd van de zaak anders konnen aangedaan worden of eenige veranderinge lijden, dewijl wij nu al voorens gezien hebben, dat de wezentheid van een zaak onveranderlijk is. Al het welke in de valsheid geen plaats heeft. En met dit gezeide zal al het vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.
[Cap. XVI]
2/16,1 |f.114 Wetende dan nu wat Goet en Kwaad, waarheid en valsheid is en ook waarin de welstand van een volmaakt mensch bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen 54en eens bezien of wij tot zo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen?
Hier toe is van nooden eens te onderzoeken wat bij die gene die de Wille stellen, de Wille is en waar in die van de Begeerte onderscheiden word. 2/16,2 De Begeerte hebben wij gezeid die nijginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zij als goet keurt; zo dat dan daaruijt volgt, dat eer onse begeerte zich uijterlijk tot iets uijtstrekt, in ons alvoorens een besluijt is gegaan van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de *[34]Wille genoemt word. 2/16,3 |f.115 Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwillig of genoodzaakt geschied, dat is, of wij iets van een zaak bevestigen of ontkennen zonder dat eenige55 uijtwendige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch bij ons is al bewezen, dat een zaak niet door zig zelfs wordende verklaart of welkers Wezentlijkheid niet aan sijn Wezentheid is behorende, noodwendig een uijtterlijke oorzaak moet hebben: en dat een oorzaak die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbrengen: Zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of te ontkennen, dat zulks zeg ik, dan ook door eenige uijtwendige oorzaak moet voortkomen: gelijk ook de beschrijving die wij van de oorzaak gegeven hebben is, dat ze niet vrij kan zijn.
Figure 8. KB 75G15 f.114 KB 75G15 f.114
2/16,4 Dit zal mogelijk eenige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de Entia rationis als op de Bijzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn: En zodoende aanmerken zij het Ens Rationis niet als zodanig maar als een ens reale. Want omdat de mensch nu deze dan die Will heeft, zo maakt hij in sijn ziele een algemene wijze, die hij wille noemt, gelijk hij ook zo uijt deze man <die man> en die man een Idea maakt van Mensch: en |f.116 om dat hij de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hij de wezens van Reden aanmerkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen, gelijk in de verhandeling van de zaak waaraf wij spreeken niet weinig en gebeurt. Want als men iemand vraagt, |f.117 waarom de mensch dit of dat wil; men antwoordt, om dat zij een wil hebben. Doch aangezien de Wil gelijk wij gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen en daarom maar een wijze van denken: een ens rationis en geen ens reale, zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden. Nam ex nihilo nihil fit. En zo meen ik ook als wij getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe, men niet en behoeft te vraagen of de wil vrij of niet vrij is. 2/16,5 Ik en spreeke dit niet van de algemene wille, die wij getoond hebben een wijze van denken te zijn; maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. |f.118 Aan een ijder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wij hebben gezeid, dat het verstaan een pure Lijdinge is, dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wij het nooijt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak selfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent. 2/16,6 Dit en zullen eenige mogelijk niet toestaan, om dat 56haar toescheijnt wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen als haar van de zaake bewust is. Doch dit komt maar, omdat zij geen begrip hebben van het concept 't welk de ziele heeft van de zaak zonder of buijten de woorden. Wel is waar (als'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen) dat wij aan andere door woorden of andere werktuigen van de zaak anders te kennen |f.119 geven als er ons van bewust is; maar echter en zullen wij nooijt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuijgen zo veel te weeg brengen, dat wij van de zaaken anders zouden gevoelen als wij er af gevoelen. Dats onmogelijk en klaar aan alle die welke ten eenen maale buijten gebruijk van woorden of andere beduijdtekenen alleen op haar verstand acht neemen. 2/16,7 57Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen: Indien niet wij maar alleen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan'er dan noch bevestigt nog ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt. En dienvolgende isser geen valschheid. Want de valsheid hebben wij gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen (of te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt, dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestig of ontkend. Doch ik meene, als wij maar wel acht hebben op 't geene wij nu al van de Waarheid en Valsheid gezeit hebben, wij dan met een deze t